Art. 26 Verordening (EU) 2017/2403, Beginselen
1. Een Unievissersvaartuig verricht geen visserijactiviteiten in het kader van charterovereenkomsten in wateren waarvoor er een PODV van kracht is of voorlopig wordt toegepast.
2. Een Unievissersvaartuig verricht geen visserijactiviteiten in het kader van meer dan een charterovereenkomst tegelijk en verricht geen subchartering.
3. Unievissersvaartuigen vissen in het kader van charterovereenkomsten alleen in wateren onder auspiciën van een ROVB indien de staat aan wie het vaartuig gecharterd is, verdrag- of overeenkomstsluitende partij bij die organisatie is.
4. Een gecharterd Unievissersvaartuig gebruikt de vangstmogelijkheden van zijn vlaggenlidstaat niet gedurende de looptijd van de charterovereenkomst. De vangsten van een gecharterd Unievissersvaartuig worden in mindering gebracht op de vangstmogelijkheden van de charterende staat.
5. Niets van het bepaalde in deze verordening doet afbreuk aan de verantwoordelijkheden van de vlaggenlidstaat in verband met zijn verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht, de controleverordening, de IOO-verordening of andere bepalingen van het GVB, waaronder rapportagevereisten.
6. De houder van de visvergunning voor een Unievissersvaartuig dat moet worden gecharterd, stelt de vlaggenlidstaat in kennis van de charterovereenkomst voordat deze in werking treedt. Die lidstaat stelt de Commissie daarvan onverwijld in kennis.