Art. 10 Verordening (EU) 2017/2394, Uitoefening van minimumbevoegdheden
1. De bevoegde autoriteiten oefenen de in artikel 9 vastgestelde minimumbevoegdheden als volgt uit:
a) rechtstreeks door en op eigen gezag van de bevoegde autoriteiten;
b) indien noodzakelijk, door een beroep te doen op andere bevoegde autoriteiten of andere overheidsinstanties;
c) in voorkomend geval, door aangewezen instanties instructies te geven, of
d) door een verzoek in te dienen bij de rechtbanken die bevoegd zijn het vereiste besluit te nemen, onder meer door, in voorkomend geval, beroep in te stellen ingeval het verzoek tot het geven van het vereiste besluit wordt afgewezen.
2. De uitoefening van de in artikel 9 vastgestelde bevoegdheden uit hoofde van deze verordening staan in verhouding tot en zijn in overeenstemming met deze verordening, Unierecht en nationaal recht, met inbegrip van de toepasselijke procedurele waarborgen en met het Handvest. De onderzoeks- en handhavingsmaatregelen die ter uitvoering van deze verordening zijn vastgesteld, zijn afgestemd op de aard en de algehele werkelijke of potentiële schadelijke gevolgen van de inbreuk op het Unierecht ter bescherming van de consumentenbelangen.