Art. 105 Verordening (EU) 2017/1939, Betrekkingen met lidstaten van de Europese Unie die niet deelnemen aan nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM
1. De in artikel 99, lid 3, bedoelde werkafspraken met autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie die niet deelnemen aan nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM kunnen met name betrekking hebben op de uitwisseling van strategische informatie en de detachering van verbindingsambtenaren bij het EOM.
2. Het EOM kan ter bevordering van de samenwerking conform de operationele behoeften van het EOM, met instemming van de betrokken bevoegde autoriteiten contactpunten aanwijzen in de lidstaten van de Europese Unie die niet deelnemen aan nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM.
3. Bij gebreke van een rechtsinstrument inzake samenwerking in strafzaken en uitlevering tussen het EOM en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie die niet deelnemen aan nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM, zorgen de lidstaten voor kennisgeving dat het EOM de bevoegde autoriteit is voor de uitvoering van de toepasselijke handelingen van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken met betrekking tot zaken die onder de bevoegdheid van het EOM vallen, in het kader van hun betrekkingen met lidstaten van de Europese Unie die niet deelnemen aan nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM.