Art. 3 Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892, Nationale kaders voor milieuacties en de subsidiabele investeringen
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892
1. In een apart onderdeel van het in artikel 36, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde nationale kader worden de vereisten van artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) vermeld waaraan moet worden voldaan door de in het kader van een operationeel programma geselecteerde milieuacties.
Voor de toepassing van artikel 33, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 omvat het nationale kader een niet-uitputtende lijst van milieuacties en de daarvoor in de lidstaat geldende voorwaarden.
De in de tweede alinea bedoelde lijst kan de volgende typen milieuacties bevatten:
a) acties die identiek zijn aan agromilieuklimaatverbintenissen of verbintenissen op het gebied van biologische landbouw als bedoeld in respectievelijk artikel 28 en artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, en die zijn opgenomen in het plattelandsontwikkelingsprogramma van de betrokken lidstaat.
b) investeringen die gunstig zijn voor het milieu;
c) andere acties die gunstig zijn voor het milieu, met inbegrip van acties die direct noch indirect verband houden met een bepaald perceel, maar wel gerelateerd zijn aan de sector groenten en fruit, mits deze bijdragen tot bodembescherming, water- of energiebesparing, de verbetering of het beheer van de waterkwaliteit, van habitats of van de biodiversiteitsbescherming, de mitigatie van klimaatverandering en de terugdringing of een beter beheer van afval.
Voor elke in de derde alinea, onder b) en c), bedoelde milieuactie bevat het nationale kader de volgende informatie:
a) de motivering van de actie, uitgaande van de effecten ervan op het milieu, en
b) de specifieke aangegane verbintenis of verbintenissen.
Het nationale kader bevat ten minste één actie inzake de toepassing van geïntegreerde plaagbestrijdingspraktijken.
2. Milieuacties die identiek zijn aan agromilieuklimaatverbintenissen of verbintenissen op het gebied van biologische landbouw en waaraan bijstand wordt verleend in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma, hebben dezelfde looptijd als die verbintenissen. Wanneer de actie een langere looptijd heeft dan het oorspronkelijke operationele programma, wordt de actie voortgezet in een volgend operationeel programma.
De lidstaten kunnen voor milieuacties een kortere looptijd toestaan of zelfs toestaan dat deze worden stopgezet in naar behoren gemotiveerde gevallen, en met name rekening houdend met de resultaten van de evaluatie in het voorlaatste jaar van uitvoering van het operationele programma als bedoeld in artikel 57, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891.
3. Voor het milieu gunstige investeringen die worden gedaan op de locatie van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties of dochterondernemingen die voldoen aan het vereiste van 90 % als bedoeld in artikel 22, lid 8, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891, of op de locatie van hun aangesloten leden, komen voor bijstand in aanmerking als deze investeringen:
a) kunnen resulteren in een vermindering van het huidige gebruik van productiemiddelen, de uitstoot van verontreinigende stoffen of afval in het productieproces, of
b) kunnen resulteren in een vervanging van het gebruik van energie uit fossiele bronnen door energie uit hernieuwbare bronnen, of
c) kunnen resulteren in een vermindering van de milieurisico's die gepaard gaan met het gebruik van bepaalde productiemiddelen, zoals gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen, of
d) leiden tot een verbetering van het milieu, of
e) verband houden met niet-productieve investeringen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de doelen van een agromilieuklimaatverbintenis of een verbintenis op het gebied van biologische landbouw wanneer die doelen betrekking hebben op de bescherming van habitats en de biodiversiteit.
4. De in lid 3, onder a), bedoelde investeringen komen voor bijstand in aanmerking als deze voorzien in een vermindering met ten minste 15 %, berekend over de fiscale afschrijvingsperiode van de investering ten opzichte van de daarvóór bestaande situatie van:
a) het gebruik van productiemiddelen die niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen zijn, zoals water of fossiele brandstof, of een mogelijke bron van milieuvervuiling zijn, zoals meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen of bepaalde soorten energiebronnen;
b) de uitstoot van lucht-, bodem- of waterverontreinigende stoffen in het productieproces, of
c) de productie van afval, waaronder afvalwater, in het productieproces.
In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten investeringen aanvaarden die een verlaging met ten minste 7 % mogelijk maken, berekend over de fiscale afschrijvingsperiode van de investering ten opzichte van de daarvóór bestaande situatie, mits die investeringen ten minste één extra milieuvoordeel opleveren.
De verwachte vermindering en, in voorkomend geval, het verwachte extra milieuvoordeel worden vooraf aangetoond met de projectspecificaties of andere technische documenten die de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties bij de indiening van het voorgestelde operationele programma of van de wijziging van zo'n programma ter goedkeuring moet presenteren en die de resultaten tonen die met de investering kunnen worden behaald, zoals gestaafd door de technische documenten of door een onafhankelijke gekwalificeerde organisatie of deskundige die is goedgekeurd door de lidstaat.
Investeringen gericht op een vermindering van het watergebruik:
a) voorzien in een vermindering met ten minste 5 % van het watergebruik in druppelirrigatie- of soortgelijke systemen ten opzichte van het verbruik vóór de investering, en
b) resulteren niet in een netto-uitbreiding van het irrigatieareaal, tenzij het totale waterverbruik voor irrigatie van het gehele landbouwbedrijf, ook na uitbreiding van het areaal, niet hoger is dan het gemiddelde waterverbruik in de periode van vijf jaar vóór de investering.
5. In lid 3, onder b), bedoelde investeringen in de vorm van energieopwekkingssystemen komen voor bijstand in aanmerking indien de hoeveelheid opgewekte energie niet hoger is dan de hoeveelheid die vooraf op jaarbasis kan worden gebruikt voor de acties op het gebied van groenten en fruit door de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties, dochteronderneming of de leden van de producentenorganisatie die van de investering profiteren.
6. In lid 3, onder c) en d), bedoelde investeringen komen voor bijstand in aanmerking indien deze bijdragen tot bodembescherming, water- of energiebesparing, de verbetering of het beheer van de waterkwaliteit, van habitats of van de biodiversiteitsbescherming, de mitigatie van klimaatverandering en de terugdringing of een beter beheer van afval, ook al is de bijdrage ervan niet kwantificeerbaar.
De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties levert wanneer zij het voorgestelde operationele programma of de wijziging van zo'n programma ter goedkeuring indient, het bewijs van de verwachte positieve bijdrage aan een of meer milieudoelen. De nationale bevoegde autoriteit mag verlangen dat dat bewijs wordt geleverd in de vorm van projectspecificaties zoals gestaafd door een onafhankelijke organisatie of deskundige voor de betrokken milieugebieden.
7. Voor milieuacties gelden de volgende voorschriften:
a) verscheidene milieuacties mogen met elkaar worden gecombineerd mits zij elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn. In geval van een combinatie van andere milieuacties dan investeringen in materiële activa wordt bij de bepaling van het steunniveau rekening gehouden met de specifieke gederfde inkomsten en de specifieke extra kosten die het gevolg zijn van de combinatie;
b) verbintenissen om het gebruik van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen of andere productiemiddelen te beperken worden slechts aanvaard indien de toepassing van die beperkingen kan worden beoordeeld op een wijze die zekerheid verschaft dat de verbintenissen worden nagekomen;
c) de in lid 3 bedoelde investeringen die gunstig zijn voor het milieu, komen volledig in aanmerking voor bijstand.