Art. 6 Besluit (EU) 2017/2074
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnenkomst op of doorreis via hun grondgebied te beletten van:
a) natuurlijke personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen of misbruik van de mensenrechten of de repressie van maatschappelijke organisaties en de democratische oppositie in Venezuela, of
b) natuurlijke personen wier acties, beleidsmaatregelen of activiteiten de democratie of de rechtsstaat in Venezuela anderszins ondermijnen,
als genoemd in bijlage I.
2. Lid 1 houdt niet in dat de lidstaten verplicht zijn de binnenkomst op hun grondgebied van hun eigen onderdanen te weigeren.
3. Lid 1 laat de gevallen onverlet waarin lidstaten uit hoofde van het internationale recht gebonden zijn, en wel:
a) als gastland van een internationale intergouvernementele organisatie;
b) als gastland van een internationale conferentie die is bijeengeroepen door of plaatsvindt onder auspiciën van de VN;
c) krachtens een multilaterale overeenkomst die voorrechten en immuniteiten verleent, of
d) krachtens het Concordaat (Verdrag van Lateranen) van 1929 tussen de Heilige Stoel (Staat Vaticaanstad) en Italië.
4. Lid 3 wordt geacht ook van toepassing te zijn op gevallen waarin een lidstaat optreedt als gastland van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).
5. De Raad wordt naar behoren geïnformeerd in elk van de gevallen waarin een lidstaat krachtens lid 3 of lid 4 een vrijstelling verleent.
6. De lidstaten kunnen vrijstellingen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen voor reizen die plaatsvinden op grond van dringende humanitaire noden die deze reizen rechtvaardigen, of wanneer de reis plaatsvindt om intergouvernementele vergaderingen bij te wonen en vergaderingen geïnitieerd door de Unie of vergaderingen waarvoor een lidstaat als fungerende voorzitter van de OVSE als gastheer optreedt, wanneer daar een politieke dialoog wordt gevoerd waarbij de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat, in Venezuela rechtstreeks worden bevorderd.
7. Een lidstaat die de in lid 6 bedoelde vrijstellingen wil verlenen, brengt zulks schriftelijk ter kennis van de Raad. De vrijstelling wordt geacht te zijn verleend, tenzij een of meer leden van de Raad binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de voorgestelde vrijstelling schriftelijk bezwaar maken. Indien een of meer leden van de Raad bezwaar maken, kan de Raad met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten de voorgestelde vrijstelling te verlenen.
8. Indien een lidstaat krachtens de leden 3, 4, 6 en 7 machtiging verleent tot binnenkomst op of doorreis via zijn grondgebied van de in bijlage I vermelde personen, geldt deze machtiging alleen voor het doel waarvoor zij is verleend en alleen voor de daarbij betrokken personen.