Art. 21 Verordening (EU) 2016/1011, Verplicht beheer van een cruciale benchmark
1. Indien een beheerder van een cruciale benchmark voornemens is de aanbieding van een dergelijke benchmark stop te zetten, dient de beheerder:
a) zijn bevoegde autoriteit hiervan onmiddellijk in kennis te stellen, en
b) binnen vier weken na deze kennisgeving een beoordeling in te dienen over de manier waarop de benchmark:
i) moet overgaan naar een nieuwe beheerder, of
ii) niet langer moet worden aangeboden, met inachtneming van de in artikel 28, lid 1, vastgestelde procedure.
Gedurende de periode in de eerste alinea, onder b), zet de beheerder het aanbieden van de benchmark niet stop.
2. Na ontvangst van de in lid 1 bedoelde beoordeling van de beheerder onderneemt de bevoegde autoriteit de volgende acties:
a) zij informeert ESMA en indien van toepassing het krachtens artikel 46 opgerichte college, en
b) binnen vier weken stelt zij haar eigen beoordeling op over hoe de overgang van de benchmark naar een nieuwe beheerder moet plaatsvinden of hoe de aanbieding ervan moet worden stopgezet, met inachtneming van de procedure als vastgelegd in artikel 28, lid 1.
Gedurende de periode in de eerste alinea van dit lid, onder b), zet de beheerder het aanbieden van de benchmark niet stop zonder de schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteit.
3. Na afronding van de in lid 2, onder b), bedoelde beoordeling heeft de bevoegde autoriteit de bevoegdheid om de beheerder te dwingen de benchmark te blijven publiceren totdat:
a) de aanbieding van de benchmark is overgegaan naar een nieuwe beheerder;
b) het aanbieden van de benchmark op ordelijke wijze kan worden stopgezet, of
c) de benchmark niet meer cruciaal is.
Voor de toepassing van de eerste alinea duurt de periode tijdens welke de bevoegde autoriteit de beheerder kan dwingen om de benchmark te blijven publiceren, ten hoogste twaalf maanden.
Aan het einde van deze periode evalueert de bevoegde autoriteit haar beslissing de beheerder te dwingen om de benchmark te blijven publiceren en kan zij indien nodig de periode verlengen met een passende periode van niet meer dan twaalf maanden. De maximumperiode van verplicht beheer duurt in totaal niet langer dan 24 maanden.
4. Onverminderd lid 1 voert de bevoegde autoriteit, indien de beheerder van een cruciale benchmark moet worden teruggeschroefd als gevolg van een insolventieprocedure, een beoordeling uit van de vraag of en hoe de cruciale benchmark op ordelijke wijze kan overgaan naar een nieuwe beheerder of de aanbieding ervan kan worden stopgezet, met inachtneming van de procedure als vastgelegd in artikel 28, lid 1.