Art. 64 Verordening (EU) 2016/429, Het instellen van beperkingszones door de bevoegde autoriteit
1. De bevoegde autoriteit stelt rond de getroffen inrichtingen, levensmiddelen- of diervoederbedrijven, inrichtingen voor dierlijke bijproducten of andere locaties waar de uitbraak van een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), bij gehouden dieren is opgetreden, een beperkingszone als bedoeld in artikel 60, onder b), en, in voorkomend geval rekening houdend met:
a) het ziekteprofiel;
b) de geografische ligging van de beperkingszone;
c) de ecologische en hydrologische kenmerken van de beperkingszone;
d) de meteorologische omstandigheden;
e) de aanwezigheid, de verspreiding en het type van de vectoren in de beperkingszone;
f) de resultaten van het epidemiologisch onderzoek, bedoeld in artikel 57, lid 1, en andere studies en epidemiologische gegevens;
g) de resultaten van laboratoriumonderzoeken;
h) de toegepaste ziektebestrijdingsmaatregelen;
i) andere epidemiologische factoren.
De beperkingszone omvat in voorkomend geval een beschermings- en bewakingszone van een bepaalde omvang en configuratie.
2. De bevoegde autoriteit beoordeelt en onderzoekt de situatie voortdurend en, wanneer dat nodig is ter voorkoming van de verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a):
a) past zij de grenzen van de beperkingszone aan;
b) stelt zij extra beperkingszones in.
3. Indien de in lid 1 voorgeschreven beperkingszones op het grondgebied van verschillende lidstaten zijn gelegen, werken de bevoegde autoriteiten van die lidstaten samen om deze in te stellen.
4. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast houdende nadere regels voor de vaststelling en de aanpassing van beperkingszones, met inbegrip van beschermings- en bewakingszones.