Art. 18 Verordening (EU) 2016/429, Melding binnen de lidstaten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en andere betrokken natuurlijke of rechtspersonen:
a) onmiddellijk bij de bevoegde autoriteit melding doen indien er redenen bestaan om te vermoeden dat een in de lijst opgenomen ziekte als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), bij dieren aanwezig is, of een dergelijke ziekte bij dieren wordt geconstateerd;
b) zo snel als praktisch mogelijk bij de bevoegde autoriteit melding doen indien er redenen bestaan om te vermoeden dat een in een lijst opgenomen ziekte als bedoeld onder artikel 9, lid 1, onder e), anders dan de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), bij dieren aanwezig is, of indien een dergelijke ziekte bij dieren wordt geconstateerd;
c) bij een dierenarts melding doen van abnormale sterftegevallen en andere symptomen van ernstige ziekte of van een sterk verlaagde productie bij dieren met onbekende oorzaak, zodat verder onderzoek kan worden verricht, waaronder bemonstering voor laboratoriumonderzoek indien de situatie dat vereist.
2. De lidstaten kunnen beslissen dat de in lid 1, onder c), bedoelde meldingen tot de bevoegde autoriteit kunnen worden gericht.
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 264 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:
a) de criteria om uit te maken of sprake is van de in lid 1, onder c), van dit artikel bedoelde omstandigheden die melding vereisen;
b) nadere regels voor het in lid 1, onder c) bedoelde verdere onderzoek.