Art. 16 Besluit (EU) 2016/849
1. De lidstaten inspecteren op hun grondgebied, met inbegrip van zee- en luchthavens en vrijhandelszones, naar bevinden van hun nationale autoriteiten en in overeenstemming met de nationale wetgeving en het internationaal recht, waaronder de Verdragen van Wenen inzake diplomatiek verkeer en consulaire betrekkingen, alle vracht naar en vanuit de DVK of op doorreis via hun grondgebied, alle vracht die tot stand is gekomen door tussenhandel of bemiddelingsdiensten van de DVK of onderdanen ervan, of personen of entiteiten die namens hen of onder hun leiding optreden, of entiteiten waarvan zij de eigendom of de zeggenschap hebben, of door in bijlage I vermelde personen of entiteiten, alsmede alle vracht die vervoerd wordt aan boord van vliegtuigen of zeeschepen die de vlag voeren van de DVK, om ervoor te zorgen dat er geen voorwerpen overgedragen worden in strijd met UNSCR 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013) of 2270 (2016).
2. De lidstaten inspecteren op hun grondgebied, met inbegrip van zee- en luchthavens, naar bevinden van hun nationale autoriteiten en in overeenstemming met hun nationale wetgeving en het internationaal recht, waaronder de Verdragen van Wenen inzake diplomatiek verkeer en consulaire betrekkingen, alle vracht naar en vanuit de DVK of op doorreis via hun grondgebied, alsmede alle vracht die door tussenhandel of door bemiddelingsdiensten van de DVK of onderdanen ervan, of door personen of entiteiten die namens hen handelen, tot stand is gekomen, indien zij beschikken over informatie op grond waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat de vracht voorwerpen omvat waarvan de levering, verkoop, overdracht of uitvoer krachtens dit besluit verboden is.
3. De lidstaten inspecteren schepen in volle zee, met toestemming van de vlaggenstaat, indien zij over informatie beschikken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat de vracht van dergelijke schepen voorwerpen omvat waarvan de levering, verkoop, overbrenging of uitvoer krachtens dit besluit verboden is.
4. De lidstaten werken, overeenkomstig hun nationale wetgeving, samen bij de inspecties uit hoofde van de leden 1 tot 3.
5. Met betrekking tot luchtvaartuigen en schepen die vrachten vervoeren van en naar de DVK moet van alle goederen die een lidstaat binnenkomen of verlaten vóór de aankomst of het vertrek een additionele aangifte worden gedaan.
6. Overeenkomstig punt 14 van UNSCR 1874 (2009) en punt 8 van UNSCR 2087 (2013) leggen de lidstaten, indien zij inspecties als bedoeld in de leden 1 tot 3 uitvoeren, beslag op voorwerpen waarvan de levering, verkoop, overbrenging of uitvoer krachtens dit besluit verboden is en vernietigen zij die.
7. De lidstaten ontzeggen de toegang tot hun havens aan schepen die een door hun vlaggenstaat goedgekeurde inspectie hebben geweigerd, of indien een schip dat vaart onder de vlag van de DVK een inspectie overeenkomstig punt 12 van UNSCR 1874 (2009) heeft geweigerd.
8. Lid 7 is niet van toepassing indien de toegang vereist is voor de inspectie, noch in een noodgeval of in het geval van een terugkeer naar de haven van herkomst van het vaartuig.