Art. 52 Verordening (EU) nr. 651/2014, Steun voor breedbandinfrastructuur
1. Investeringssteun ten behoeve van de uitbouw van breedbandnetwerken is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
2. De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:
a) investeringskosten voor de uitrol van passieve breedbandinfrastructuur;
b) investeringskosten van civieltechnische werkzaamheden voor breedband;
c) investeringskosten voor de uitrol van basisbreedbandnetwerken, en
d) investeringskosten voor de uitrol van Next Generation Access (NGA) netwerken.
3. De investering vindt plaats in gebieden waar er geen infrastructuur van dezelfde categorie (basisbreedband- of NGA-netwerk) voorhanden is en waar dit soort infrastructuur binnen drie jaar vanaf het ogenblik van de bekendmaking van de voorgenomen steunmaatregel waarschijnlijk niet op zakelijke voorwaarden zal worden uitgerold, hetgeen ook via een open publieke consultatie dient te worden nagegaan.
4. De steun wordt toegewezen op grond van een openbare, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure die het beginsel van technologische neutraliteit in acht neemt.
5. De netwerkexploitant biedt op eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden de ruimst mogelijke actieve en passieve wholesaletoegang in de zin van artikel 2, punt 139, van deze verordening, met inbegrip van fysieke ontbundeling in het geval van NGA-netwerken. Dit soort wholesaletoegang wordt verleend voor ten minste zeven jaar en het recht op toegang tot buizen of masten wordt niet in de tijd beperkt. In het geval van steun voor de aanleg van buizen zijn deze buizen breed genoeg om plaats te bieden voor meerdere kabelnetwerken en verschillende netwerktopologieën.
6. Het wholesaletoegangstarief is gebaseerd op de tariefbeginselen die de nationale toezichthouder heeft vastgesteld en op benchmarks die in andere vergelijkbare, meer concurrerende gebieden van de lidstaat of de Unie van toepassing zijn, rekening houdende met de steun die de netwerkexploitant ontvangt. De nationale toezichthouder wordt geraadpleegd over toegangsvoorwaarden (zoals tarieven) en in het geval van een geschil tussen de partijen die toegang willen, en de exploitant van de gesubsidieerde infrastructuur.
7. Lidstaten zetten een monitoring- en terugvorderingsmechanisme op indien het steunbedrag voor het project meer dan 10 miljoen EUR bedraagt.