Art. 30 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014, Berekeningsgrondslag
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014
1. Steun of bijstand wordt in geen geval toegekend voor een groter aantal dieren dan het in de steunaanvraag of de betalingsaanvraag aangegeven aantal.
2. De op het bedrijf aanwezige dieren worden slechts als geconstateerd aangemerkt indien zij in de steunaanvraag of de betalingsaanvraag zijn geïdentificeerd. Geïdentificeerde dieren mogen worden vervangen zonder dat het recht op betaling van de steun of bijstand vervalt, tenzij de bevoegde autoriteit de begunstigde reeds op de hoogte heeft gebracht van een niet-naleving in de aanvraag of de autoriteit reeds een controle ter plaatse heeft aangekondigd. Wanneer een lidstaat niet gebruikmaakt van de mogelijkheid van een aanvraagloos systeem overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde voorschriften, zorgt hij er in elk geval voor dat ondubbelzinnig vaststaat welke dieren onder de aanvragen van de begunstigden vallen.
3. Onverminderd artikel 31 wordt, indien het in een steunaanvraag of een betalingsaanvraag aangegeven aantal dieren groter is dan het bij administratieve controles of controles ter plaatse geconstateerde aantal, de steun of de bijstand berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren.
4. Wanneer een niet-naleving met betrekking tot de identificatie- en registratieregeling voor runderen wordt vastgesteld, geldt het volgende:
a) een op het bedrijf aanwezig rund dat een van de twee oormerken is kwijtgeraakt, wordt als geconstateerd beschouwd mits het duidelijk en individueel is geïdentificeerd aan de hand van de andere, in artikel 3, eerste alinea, onder b), c) en d), van Verordening (EG) nr. 1760/2000 genoemde elementen van de identificatie- en registratieregeling voor runderen;
b) wanneer een op het bedrijf aanwezig rund beide oormerken is kwijtgeraakt, wordt het toch als geconstateerd aangemerkt mits het dier nog aan de hand van het register, het dierpaspoort, het gegevensbestand of andere in Verordening (EG) nr. 1760/2000 genoemde middelen kan worden geïdentificeerd en de dierhouder kan aantonen dat hij al vóór de aankondiging van de controle ter plaatse actie heeft ondernomen om de situatie te corrigeren;
c) wanneer het bij de vastgestelde niet-naleving om onjuiste vermeldingen in het register of op de dierpaspoorten gaat, wordt het betrokken dier slechts als niet-geconstateerd beschouwd indien dergelijke fouten bij ten minste twee controles binnen een periode van 24 maanden worden vastgesteld. In alle overige gevallen worden de betrokken dieren na de eerste bevinding als niet-geconstateerd beschouwd.
De vermeldingen in en meldingen aan het identificatie- en registratiesysteem voor runderen mogen te allen tijde worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit is erkend.
5. Wanneer een op het bedrijf aanwezig schaap of een op het bedrijf aanwezige geit een oormerk is kwijtgeraakt, wordt het dier toch als geconstateerd aangemerkt mits het nog door een eerste identificatiemiddel overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 21/2004 kan worden geïdentificeerd en aan alle overige eisen van de identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten is voldaan.