Art. 41 Richtlijn 2014/65/EU, Vergunningverlening

Richtlijn 2014/65/EU

1. De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de onderneming uit een derde land een bijkantoor heeft gevestigd of voornemens is te vestigen, verleent de vergunning pas de bevoegde autoriteit ervan overtuiigd is dat:

a) aan de voorwaarden van artikel 39 is voldaan; en

b) het bijkantoor van de onderneming uit een derde land in staat zal zijn de in lid 2 bedoelde bepalingen in acht te nemen.

De bevoegde autoriteit deelt de onderneming uit een derde land binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag mee of de vergunning toegekend dan wel geweigerd is.

2. Het bijkantoor van de onderneming uit een derde land waaraan overeenkomstig lid 1 vergunning is verleend, voldoet aan de verplichtingen van de artikelen 16 tot en met 20, 23, 24, 25 en 27, artikel 28, lid 1, en de artikelen 30, 31 en 32 van deze richtlijn en van de artikelen 3 tot en met 26 van Verordening (EU) nr. 600/2014 en aan de op grond daarvan vastgestelde maatregelen en staat onder toezicht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de vergunning is verleend.

De lidstaten leggen in verband met de door deze richtlijn bestreken aangelegenheden geen aanvullende verplichtingen op ten aanzien van de organisatie en bedrijfsuitoefening van het bijkantoor en behandelen bijkantoren van ondernemingen uit derde landen niet gunstiger dan ondernemingen uit de Unie.