Art. 4, Definities

1. Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

1. „beleggingsonderneming”: iedere rechtspersoon waarvan het gewone beroep of bedrijf bestaat in het beroepsmatig verlenen van een of meer beleggingsdiensten voor derden en/of het beroepsmatig verrichten van een of meer beleggingsactiviteiten.

De lidstaten kunnen ook ondernemingen die geen rechtspersoon zijn onder de definitie van beleggingsonderneming laten vallen mits:

a) het voor die ondernemingen geldende rechtssysteem aan derden een bescherming van hun belangen waarborgt die gelijkwaardig is aan die welke door een rechtspersoon wordt geboden, en

b) die ondernemingen onderworpen zijn aan een gelijkwaardig prudentieel toezicht dat aan hun rechtsvorm aangepast is.

Wanneer een natuurlijke persoon echter diensten verleend die het aanhouden van aan derden toebehorende gelden of effecten met zich brengen, mag deze persoon voor de toepassing van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 600/2014 alleen als een beleggingsonderneming worden beschouwd, indien hij, onverminderd de overige in deze richtlijn, in Verordening (EU) nr. 600/2014 en in Richtlijn 2013/36/EU gestelde eisen, aan de volgende voorwaarden voldoet:

a) de eigendomsrechten van derden ten aanzien van gelden en instrumenten moeten gewaarborgd zijn, met name in geval van insolventie van de onderneming of haar eigenaars, of van beslaglegging, schuldvergelijking of andere rechtsmiddelen, aangewend door de schuldeisers van de onderneming of van haar eigenaars;

b) de onderneming moet onderworpen zijn aan regels die tot doel hebben toezicht te houden op de solvabiliteit van de onderneming en van haar eigenaars;

c) de jaarrekening van de onderneming moet worden gecontroleerd door één of meer personen die krachtens de nationale wetgeving bevoegd zijn rekeningen te controleren;

d) indien de onderneming slechts één eigenaar heeft, moet deze maatregelen nemen ter bescherming van de beleggers in geval van beëindiging van de activiteiten van de onderneming ten gevolge van zijn overlijden, onbekwaamheid of andere vergelijkbare omstandigheden;

2. „beleggingsdiensten en -activiteiten”: iedere in deel A van bijlage I genoemde dienst of activiteit die betrekking heeft op één van de in deel C van bijlage I genoemde instrumenten.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast ter nadere bepaling van:

a) de in bijlage I, deel C, punt 6, bedoelde derivatencontracten die de kenmerken bezitten van voor de groothandel bestemde energieproducten die moeten worden afgewikkeld door middel van materiële levering en de „C.6-energiederivatencontracten”;

b) de in bijlage I, deel C, punt 7, bedoelde derivatencontracten die de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten bezitten;

c) de in bijlage I, deel C, punt 10, bedoelde derivatencontracten de kenmerken van andere afgeleide financiële instrumenten bezitten, waarbij o.a. in aanmerking wordt genomen of zij op een gereglementeerde markt, een MTF of een OTF worden verhandeld;

3. „nevendiensten”: alle in deel B van bijlage I genoemde diensten;

4. „beleggingsadvies”: het doen van gepersonaliseerde aanbevelingen aan een cliënt, hetzij op diens verzoek hetzij op initiatief van de beleggingsonderneming, met betrekking tot één of meer transacties die met financiële instrumenten verband houden;

5. „uitvoering van orders voor rekening van cliënten”: optreden om overeenkomsten te sluiten tot verkoop of aankoop van één of meer financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van het sluiten van overeenkomsten tot verkoop van door een beleggingsonderneming of kredietinstelling of uitgegeven financiële instrumenten op het tijdstip van de uitgifte ervan;

6. „handelen voor eigen rekening”: met eigen kapitaal handelen in één of meer financiële instrumenten, hetgeen resulteert in het uitvoeren van transacties;

7. „market maker”: een persoon die op de financiële markten doorlopend blijk geeft van de bereidheid voor eigen rekening en met eigen kapitaal te handelen door financiële instrumenten tegen door hem vastgestelde prijzen te kopen en te verkopen;

8. „vermogensbeheer”: het per cliënt op discretionaire basis beheren van portefeuilles op grond van een door de cliënten gegeven opdracht, voor zover die portefeuilles één of meer financiële instrumenten bevatten;

9. „cliënt”: iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wie een beleggingsonderneming beleggingsdiensten en/of nevendiensten verleent;

10. „professionele cliënt”: een cliënt die voldoet aan de criteria vastgesteld in bijlage II;

11. „niet-professionele cliënt”: een cliënt die geen professionele cliënt is;

12. „mkb-groeimarkt”: een MTF die overeenkomstig artikel 33 als mkb-groeimarkt is geregistreerd;

13. „kleine of middelgrote ondernemingen (mkb-ondernemingen)”: voor de toepassing van deze richtlijn: ondernemingen die op de grondslag van de eindejaarskoersen van de voorgaande drie kalenderjaren een gemiddelde marktkapitalisatie hadden van minder dan 200 000 000 EUR;

14. „limietorder”: een order om een financieel instrument tegen de opgegeven limietkoers of een betere koers en voor een gespecificeerde omvang te kopen of te verkopen;

15. „financieel instrument”: alle instrumenten die zijn genoemd in deel C van bijlage I;

16. „C.6-energiederivatencontracten”: in bijlage I, deel C, punt 6, genoemde opties-, futures-, swaps- en andere derivatencontracten met betrekking tot kolen of olie, die op een OTF worden verhandeld en die materieel moeten worden afgewikkeld;

17. „geldmarktinstrumenten”: alle categorieën instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld, zoals schatkistpapier, depositocertificaten en commercial papers, betaalinstrumenten uitgezonderd;

18. „marktexploitant”: een persoon of personen die het bedrijf van een gereglementeerde markt beheert, c.q. beheren en/of exploiteert, c.q. exploiteren, en tevens de gereglementeerde markt zelf kan zijn;

19. „multilateraal systeem”: systeem of faciliteit waarin meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten op elkaar kunnen inwerken;

20. „beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling”: een beleggingsonderneming die op georganiseerde, frequente, systematische en aanzienlijke basis voor eigen rekening handelt bij het buiten een gereglementeerde markt of een MTF of OTF uitvoeren van orders van cliënten zonder een multilateraal systeem te exploiteren.

Of de uitvoering van transacties op frequente en systematische basis plaatsvindt, wordt gemeten aan de hand van het aantal otc-transacties in het financieel instrument die de beleggingsonderneming voor eigen rekening verricht bij het uitvoeren van orders van cliënten. Of dit op aanzienlijke basis geschiedt, wordt gemeten aan de hand van de omvang van de door de beleggingsonderneming verrichte otc-handel in verhouding tot de totale handel van de beleggingsonderneming in een specifiek financieel instrument, of aan de hand van de omvang van de door de beleggingsonderneming verrichte otc-handel in verhouding tot de totale handel in een specifiek financieel instrument in de Unie. De definitie van beleggingsonderneming met systematische interne afhandeling is enkel van toepassing, indien de vooraf bepaalde limieten voor frequente en systematische basis en voor een aanzienlijke basis beide worden overschreden of indien een beleggingsonderneming ervoor kiest om onder de regeling voor beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling te vallen;

21. „gereglementeerde markt”: een door een marktexploitant geëxploiteerd en/of beheerd multilateraal systeem dat meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten — binnen dit systeem en volgens de niet-discretionaire regels van dit systeem — samenbrengt of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit met betrekking tot financiële instrumenten die volgens de regels en de systemen van de markt tot de handel zijn toegelaten, en waaraan vergunning is verleend en die regelmatig werkt, overeenkomstig titel III van deze richtlijn;

22. „multilaterale handelsfaciliteit” of „MTF” (multilateral trading facility): een door een beleggingsonderneming of een marktexploitant geëxploiteerd multilateraal systeem dat meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten — binnen dit systeem en volgens niet-discretionaire regels — samenbrengt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig titel II van deze richtlijn;

23. „georganiseerde handelsfaciliteit” of „OTF” (organised trading facility): een multilateraal systeem, anders dan een gereglementeerde markt of een MTF, waarin meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot obligaties, gestructureerde financiële producten, emissierechten en derivaten op zodanige wijze met elkaar kunnen interageren dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig titel II van deze richtlijn;

24. „handelsplatform”: elke gereglementeerde markt, een MTF of een OTF;

25. „liquide markt”: een markt voor een financieel instrument of een klasse van financiële instrumenten waarop doorlopend bereidwillige kopers en verkopers aanwezig zijn, hetgeen beoordeeld wordt aan de hand van de hierna volgende criteria en rekening houdend met de specifieke marktstructuren van het betrokken financieel instrument of de betrokken klasse van financiële instrumenten:

a) de gemiddelde frequentie en omvang van de transacties in allerlei marktomstandigheden, gelet op de aard en levenscyclus van producten binnen de klasse van financiële instrumenten;

b) het aantal en het soort marktdeelnemers, met inbegrip van de verhouding van marktdeelnemers tot verhandelde instrumenten in een bepaald product;

c) de gemiddelde omvang van de spreads, indien beschikbaar;

26. „bevoegde autoriteit”: de autoriteit die elke lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 67 aanwijst, tenzij in deze richtlijn anders is gespecificeerd;

27. „kredietinstellingen”: kredietinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

28. „icbe-beheermaatschappij”: een beheermaatschappij zoals gedefinieerd in Richtlijn 2009/65/EG, artikel 2, lid 1, onder b), van het Europees Parlement en de Raad (43);

29. „verbonden agent”: een natuurlijke of rechtspersoon die, onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van slechts één beleggingsonderneming voor rekening waarvan hij optreedt de beleggings- en/of nevendiensten bij cliënten of potentiële cliënten aanbeveelt, instructies of orders van cliënten met betrekking tot beleggingsdiensten of financiële instrumenten ontvangt en doorgeeft, financiële instrumenten plaatst of advies verstrekt aan cliënten of potentiële cliënten met betrekking tot deze financiële instrumenten of diensten;

30. „bijkantoor”: een bedrijfszetel die niet het hoofdkantoor is en die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een beleggingsonderneming en beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten verricht, en ook nevendiensten kan verlenen waarvoor aan de beleggingsonderneming een vergunning is verleend; alle bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een beleggingsonderneming met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden als één enkel bijkantoor beschouwd;

31. „gekwalificeerde deelneming”: het rechtstreeks of middellijk bezitten van een deelneming in een beleggingsonderneming van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad (44), daarbij rekening houdend met de in artikel 12, leden 4 en 5, van die richtlijn bedoelde voorwaarden voor samenvoeging daarvan, dan wel van een deelneming die het mogelijkheid maakt om invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de beleggingsonderneming waarin wordt deelgenomen;

32. „moederonderneming”: een moederonderneming in de zin van de artikelen 2, lid 9, en 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (45);

33. „dochteronderneming”: een dochteronderneming in de zin van de artikelen 2, lid 10, en 22 van Richtlijn 2013/34/EU, met inbegrip van elke dochteronderneming van een dochteronderneming van een moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

34. „groep”: groep zoals gedefinieerd inartikel 2, lid 11, van Richtlijn 2013/34/EU;

35. „nauwe banden”: een situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:

a) een „deelneming”, dat wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming;

b) een „zeggenschapsband”, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 22, leden 1 en 2, van Richtlijn 2013/34/EU, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

c) een situatie waarin zij via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon;

36. „leidinggevend orgaan”: het (de) overeenkomstig het nationale recht aangewezen orgaan (organen) van een beleggingsonderneming, marktexploitant of dienstverlener op het gebied van datarapportage, dat (die) gemachtigd is (zijn) de strategie, doelstellingen en algemene leiding van de entiteit vast te stellen, en fungeert (fungeren) als toezichthouder op en bewaker van de besluitvorming van het management. Het leidinggevend orgaan omvat personen die daadwerkelijk het beleid van de entiteit bepalen.

Wanneer in deze richtlijn verwezen wordt naar het leidinggevend orgaan en de leidinggevende functie en de toezichthoudende functie van het leidinggevend orgaan krachtens nationaal recht worden toegewezen aan verschillende organen of aan verschillende leden binnen één orgaan, wijst de lidstaat de verantwoordelijke organen of de verantwoordelijke leden van het leidinggevend orgaan aan in overeenstemming met diens nationale recht, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald;

37. „directie”: natuurlijke personen die uitvoerende functies in een beleggingsonderneming, marktexploitant of dienstverlener op het gebied van datarapportage uitoefenen en die verantwoordelijk zijn, en verantwoording moeten afleggen aan het leidinggevend orgaan van de entiteit, voor het dagelijkse management van de entiteit, met inbegrip van de toepassing van de gedragslijnen voor de distributie door de onderneming en haar personeel van diensten en producten aan cliënten;

38. „matched principal trading”: een transactie waarbij degene die faciliteert zich op zodanige wijze tussen de koper en de verkoper bij de transactie plaatst dat zij gedurende de volledige uitvoering van de transactie nooit aan marktrisico’s wordt blootgesteld, en waarbij beide zijden tegelijkertijd worden uitgevoerd en de transactie wordt afgesloten tegen een prijs die degene die faciliteert geen winst of verlies oplevert, afgezien van de vooraf bekendgemaakte provisies, vergoedingen of kosten voor de transactie;

39. „algoritmische handel”: handel in financiële instrumenten waarbij een computeralgoritme automatisch individuele parameters van orders bepaalt, onder meer of het order moet worden geïnitieerd, het tijdstip, de prijs of de omvang van het order, of hoe het order nadat het is ingevoerd, moet worden beheerd, met weinig of geen menselijk ingrijpen. Een systeem dat alleen wordt gebruikt voor de routering van orders naar een of meer handelsplatforms, dan wel voor het verwerken van orders waarbij geen sprake is van bepaling van handelsparameters, of voor de bevestiging van orders of de posttransactionele verwerking van uitgevoerde transacties, valt niet onder deze definitie;

40. „techniek van hoogfrequentie algoritmische handel”: elke algoritmische handelstechniek die wordt gekenmerkt door:

a) infrastructuur die bedoeld is om netwerk- en andere soorten latenties te minimaliseren, daaronder begrepen ten minste één van de volgende faciliteiten voor het invoeren van algoritmische orders: collocatie, proximity hosting of directe elektronische toegang met hoge snelheid;

b) het initiëren, genereren, geleiden of uitvoeren van orders door het systeem, zonder menselijk ingrijpen, voor afzonderlijke handelstransacties of orders; en

c) een groot aantal berichten (orders, noteringen of annuleringen) binnen de handelsdag.

41. „directe elektronische toegang”: een voorziening waarbij een lid of deelnemer of cliënt van een handelsplatform een persoon toestaat van zijn handelscode gebruik te maken, zodat de betrokken persoon in staat is orders met betrekking tot een financieel instrument langs elektronische weg direct aan een handelsplatform door te geven, met inbegrip van een voorziening, waarbij de persoon van de infrastructuur van het lid of de deelnemer of cliënt gebruikmaakt, alsook alle verbindingssystemen die door het lid of de deelnemer of de cliënt beschikbaar worden gesteld om de orders door te geven (directe markttoegang) en regelingen waarbij deze infrastructuur niet wordt gebruikt door deze persoon (gesponsorde toegang);

42. „koppelverkoop”: het aanbieden van een beleggingsdienst samen met een andere dienst of een ander product als onderdeel van een pakket of als voorwaarde waarvan de overeenkomst of het pakket afhankelijk is gesteld;

43. „gestructureerd deposito”: een deposito zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt c), van Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad (46) dat op de vervaldatum volledig wordt terugbetaald, waarbij een rente of premie wordt uitbetaald of in het gedrang komt volgens een formule waarin rekening wordt gehouden met factoren als:

a) een index of een combinatie van indexen, met uitzondering van deposito’s met een variabele rente waarvan het rendement rechtstreeks gekoppeld is aan een rente-index zoals Euribor of Libor;

b) een onder de MiFID vallend financieel instrument of een combinatie van financiële instrumenten;

c) een grondstof of een combinatie van grondstoffen of andere materiële of niet-materiële niet-fungibele activa”; of

d) een buitenlandse wisselkoers of een combinatie van buitenlandse wisselkoersen;

44. „effecten”: alle categorieën op de kapitaalmarkt verhandelbare waardepapieren, betaalinstrumenten uitgezonderd, zoals:

a) aandelen in vennootschappen en andere met aandelen in vennootschappen, partnerships of andere entiteiten gelijk te stellen waardepapieren, alsmede aandelencertificaten (depositary receipts);

b) obligaties en andere schuldinstrumenten, alsmede certificaten (depositary receipts) betreffende dergelijke effecten;

c) alle andere waardepapieren die het recht verlenen die effecten te verwerven of te verkopen of die aanleiding geven tot een afwikkeling in contanten waarvan het bedrag wordt bepaald op grond van effecten, valuta’s, rentevoeten of rendementen, grondstoffenprijzen of andere indexen of maatstaven;

45. „representatieve certificaten” (depositary receipts): op de kapitaalmarkt verhandelbare waardepapieren die eigendom vertegenwoordigen van de waardepapieren van een niet-gedomicilieerde uitgevende instelling en kunnen worden toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt en onafhankelijk van de waardepapieren van de niet-gedomicilieerde uitgevende instelling kunnen worden verhandeld;

46. „beursverhandeld fonds (exchange-traded fund)”: een fonds waarvan ten minste één eenhedenklasse of aandelenklasse gedurende de hele dag wordt verhandeld op ten minste één handelsplatform en waarbij ten minste één market maker ervoor zorgt dat de koers van de eenheden of aandelen van het fonds op het handelsplatform niet aanzienlijk afwijkt van de intrinsieke waarde en, in voorkomend geval, van de indicatieve intrinsieke waarde van de eenheden of aandelen;

47. „certificaten”: certificaten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 27, van Verordening (EU) nr. 600/2014;

48. „gestructureerde financiële producten”: gestructureerde financiële producten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 28, van Verordening (EU) nr. 600/2014;

49. „derivaten”: derivaten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 29, van Verordening (EU) nr. 600/2014;

50. „grondstoffenderivaten”: grondstoffenderivaten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 30, van Verordening (EU) nr. 600/2014;

51. „CTP”: een CTP zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

52. „goedgekeurde publicatieregeling” (approved publication arrangement) of APA’s: een persoon die uit hoofde van deze richtlijn een vergunning heeft voor dienstverlening op het gebied van de publicatie van transactiemeldingen namens beleggingsondernemingen krachtens de artikelen 20 en 21 van Verordening EU) nr. 600/2014;

53. „verstrekker van een consolidated tape” (consolidated tape provider): een persoon waaraan uit hoofde van deze richtlijn een vergunning is verleend voor dienstverlening op het gebied van het verzamelen van handelsverslagen van gereglementeerde markten, MTF’s, OTF’s en APA’s voor financiële instrumenten die zijn vermeld in de artikelen 6, 7, 10, 12, 13, 20 en 21 van Verordening (EU) nr. 600/2014 en het consolideren daarvan in een doorlopende elektronische live datastroom die per financieel instrument gegevens met betrekking tot prijs en volume geeft;

54. „goedgekeurd rapporteringsmechanisme” (approved reporting mechanism) of ARM’s: een persoon waaraan uit hoofde van deze richtlijn een vergunning is verleend voor dienstverlening op het gebied van het rapporteren van bijzonderheden van transacties aan bevoegde autoriteiten of ESMA namens beleggingsondernemingen;

55. „lidstaat van herkomst”:

a) in het geval van een beleggingsonderneming:

i) indien de beleggingsonderneming een natuurlijke persoon is, de lidstaat waar deze persoon zijn hoofdkantoor heeft;

ii) indien de beleggingsonderneming een rechtspersoon is, de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen;

iii) indien de beleggingsonderneming overeenkomstig haar nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar haar hoofdkantoor is gelegen;

b) in het geval van een gereglementeerde markt: de lidstaat waar de statutaire zetel van de gereglementeerde markt is gelegen of, indien deze overeenkomstig de wetgeving van deze lidstaat geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar het hoofdkantoor van de gereglementeerde markt is gelegen;

c) in het geval van een APA, een verstrekker van de consolidated tape of een ARM:

i) indien de APA, de verstrekker van de consolidated tape of het ARM een natuurlijke persoon is, de lidstaat waar deze persoon zijn hoofdkantoor heeft;

ii) indien de APA, de verstrekker van de consolidated tape of het ARM een rechtspersoon is, de lidstaat waar haar/zijn statutaire zetel is gelegen;

iii) indien de APA, de verstrekker van de consolidated tape of het ARM overeenkomstig haar/zijn nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar haar/zijn hoofdkantoor is gelegen;

56. „lidstaat van ontvangst”: de lidstaat die niet de lidstaat van herkomst is en waar de beleggingsonderneming een bijkantoor heeft of beleggingsdiensten verleent en/of beleggingsactiviteiten verricht, of de lidstaat waar een gereglementeerde markt passende voorzieningen treft om de toegang tot de handel in zijn systeem voor in laatstgenoemde lidstaat gevestigde leden of deelnemers op afstand te faciliteren;

57. „onderneming uit een derde land”: een onderneming die zou gelden als een kredietinstelling die beleggingsdiensten aanbiedt of beleggingsactiviteiten uitvoert, of als een beleggingsonderneming, als haar hoofdkantoor of statutaire zetel zich binnen de Unie zou bevinden;

58. „voor de groothandel bestemde energieproducten”: voor de groothandel bestemde energieproducten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 4, van Verordening (EU) nr. 1227/2011;

59. „landbouwgrondstoffenderivaten”: derivatencontracten met betrekking tot producten die zijn vermeld in artikel 1 van, en bijlage I, deel I tot XX en XXIV/1 bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (47);

60. „overheidsemittent”: een van de onderstaande uitgevers van schuldinstrumenten:

i) de Unie;

ii) een lidstaat, met inbegrip van een regeringsdepartement, een agentschap of een special purpose vehicle van de lidstaat;

iii) in het geval van een lidstaat die een federale staat is, een lid van de federatie;

iv) een special purpose vehicle voor verschillende lidstaten;

v) een door twee of meer lidstaten opgerichte internationale financiële instelling die tot doel heeft middelen bijeen te brengen en financiële bijstand te verlenen ten behoeve van haar leden als deze ernstige financiële problemen ondervinden of dreigen te ondervinden; of

vi) de Europese Investeringsbank;

61. „overheidsschuld”: een schuldinstrument uitgegeven door een overheidsemittent;

62. „duurzame drager”: ieder hulpmiddel:

a) dat een cliënt in staat stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze achteraf gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd; en

b) waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd;

63. „aanbieder van datarapporteringsdiensten”: een APA, een verstrekker van de consolidated tape of een ARM.

2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot maatregelen om een aantal technische elementen van de in lid 1 van dit artikel vervatte definities te specificeren, deze aan te passen aan de marktontwikkelingen, de technologische ontwikkelingen en de ervaring van gedrag dat is verboden uit hoofde van Verordening (EU) nr. 596/2014 en te zorgen voor een uniforme toepassing van deze richtlijn.

Uitspraken die dit artikel aanhalen