Art. 65 Richtlijn 2014/25/EU, Verdeling van opdrachten in percelen

Richtlijn 2014/25/EU

1. Aanbestedende instanties kunnen besluiten een opdracht te gunnen in de vorm van afzonderlijke percelen en kunnen de omvang en het voorwerp van deze percelen bepalen.

Aanbestedende instanties vermelden in de aankondiging van de opdracht, in het verzoek tot bevestiging van belangstelling, of wanneer tot mededinging is opgeroepen in een aankondiging inzake het bestaan van een erkenningsregeling, in de uitnodiging tot inschrijving of tot onderhandeling, of inschrijvingen kunnen worden ingediend voor één, voor meer, dan wel voor alle percelen.

2. De aanbestedende instanties mogen, zelfs indien er inschrijvingen mogen worden ingediend voor meerdere of alle percelen, het aantal aan een inschrijver te gunnen percelen beperken, mits het maximumaantal in de aankondiging van de opdracht of in de uitnodiging tot bevestiging van belangstelling, tot inschrijving, of tot onderhandeling, is aangegeven. Aanbestedende instanties vermelden in de aanbestedingsstukken de objectieve en niet-discriminerende criteria of regels die zij voornemens zijn toe te passen om te bepalen welke percelen zullen worden gegund indien de toepassing van de gunningscriteria zou leiden tot de gunning van meer percelen dan het maximumaantal aan een zelfde inschrijver.

3. De lidstaten kunnen bepalen dat, indien meer dan één perceel aan dezelfde inschrijver kan worden gegund, de aanbestedende instanties een opdracht kunnen gunnen voor een combinatie van percelen of voor alle percelen wanneer zij in de aankondiging van de opdracht of in de uitnodiging tot bevestiging van de belangstelling, tot inschrijving, of tot onderhandeling hebben gespecificeerd dat zij zich daartoe de mogelijkheid voorbehouden en aangegeven hebben welke percelen of groepen van percelen kunnen worden gecombineerd.

4. De lidstaten kunnen het verplicht stellen om opdrachten als afzonderlijke percelen te gunnen onder voorwaarden die overeenkomstig het nationale recht dienen te worden bepaald, rekening houdend met het Unierecht. Lid 1, tweede alinea, en, waar passend, lid 3 zijn van toepassing.