Art. 5 Verordening (EU) nr. 1370/2013, Steun voor de verstrekking van groenten- en fruitproducten aan kinderen
Verordening (EU) nr. 1370/2013
1. De steun van de Unie voor de verstrekking van groenten- en fruitproducten, verwerkte groenten- en fruitproducten en banaanproducten aan kinderen, als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 mag niet:
a) meer bedragen dan de volgende drempels:
i) 150 miljoen EUR per schooljaar;
ii) 75 % van de in artikel 23, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde kosten voor de verstrekking en daarmee gepaard gaande kosten, of 90 % van die kosten in de minder ontwikkelde gebieden en de ultraperifere gebieden zoals bedoeld in artikel 349 van het Verdrag; noch
b) bestemd zijn voor andere kosten dan de in artikel 23, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde kosten voor de verstrekking en daarmee gepaard gaande kosten.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), ii), wordt onder „minder ontwikkelde gebieden” verstaan: die gebieden die als dergelijke gebieden worden omschreven in artikel 90, lid 2, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4).
2. Elke lidstaat die aan het schoolfruit- en groentenprogramma deelneemt, ontvangt ten minste 290 000 EUR aan Uniesteun.
De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van de indicatieve toewijzing van de in lid 1 van dit artikel bedoelde steun aan elke lidstaat op basis van de in artikel 23, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde criteria.
De Commissie gaat ten minste om de drie jaar na of de indicatieve toewijzing nog steeds voldoet aan de in artikel 23, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde criteria. De Commissie stelt indien nodig uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van een nieuwe indicatieve toewijzing.
Naar aanleiding van verzoeken van de lidstaten overeenkomstig artikel 23, lid 5, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, stelt de Commissie ieder jaar uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van de definitieve verdeling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde steun over de deelnemende lidstaten op basis van de in dat lid bedoelde voorwaarden.
De in dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure.