Art. 210 Verordening (EU) nr. 1308/2013, Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van erkende brancheorganisaties

Verordening (EU) nr. 1308/2013

1. Artikel 101, lid 1, VWEU is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van krachtens artikel 157 van deze verordening erkende brancheorganisaties die dienen voor de uitvoering van de in artikel 157, lid 1, onder c), en wat de sector melk en zuivelproducten betreft, artikel 157, lid 3, onder c), van deze verordening vermelde activiteiten, en wat de sector olijfolie en tafelolijven en de sector tabak betreft, voor de uitvoering van de in artikel 162 van deze verordening bedoelde activiteiten.

2. Lid 1 is van toepassing mits:

a) de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen daarin vermeld zijn aan de Commissie gemeld; en

b) de Commissie niet binnen twee maanden na ontvangst van alle vereiste gegevens heeft vastgesteld dat deze overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen onverenigbaar zijn met de Unievoorschriften.

Indien de Commissie vaststelt dat de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen vermeld in lid 1 onverenigbaar zijn met de Unievoorschriften, formuleert zij haar bevindingen zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure.

3. De in lid 1 bedoelde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen mogen pas na het verstrijken van de in lid 2, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn van twee maanden ten uitvoer worden gelegd.

4. Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen worden in ieder geval als onverenigbaar met de Unievoorschriften aangemerkt indien zij:

a) kunnen leiden tot compartimentering van de markten binnen de Unie, ongeacht in welke vorm;

b) de goede werking van de marktordening in gevaar kunnen brengen;

c) concurrentieverstoringen kunnen teweegbrengen die niet volstrekt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de met de activiteit van de brancheorganisatie nagestreefde doelstellingen van het GLB;

d) de vaststelling van prijzen of quota omvatten;

e) discriminatie kunnen veroorzaken of de concurrentie voor een aanzienlijk deel van de betrokken producten kunnen uitschakelen.

5. Indien de Commissie na het verstrijken van de in lid 2, eerste alinea, onder b), bedoelde termijn van twee maanden constateert dat niet aan de voorwaarden voor de toepassing van lid 1 is voldaan, stelt zij zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure, een besluit vast waarin zij verklaart dat artikel 101, lid 1, VWEU van toepassing is op de betrokken overeenkomst, het betrokken besluit of de betrokken onderling afgestemde feitelijke gedraging.

Dit besluit van de Commissie wordt niet eerder van toepassing dan op de dag van kennisgeving ervan aan de betrokken brancheorganisatie, tenzij deze laatste onjuiste gegevens heeft verstrekt of misbruik heeft gemaakt van de in lid 1 bedoelde vrijstelling.

6. In het geval van meerjarenovereenkomsten geldt de melding voor het eerste jaar ook voor de volgende jaren van de overeenkomst. In dat geval kan de Commissie evenwel, op eigen initiatief of op verzoek van een andere lidstaat, te allen tijde verklaren dat er sprake is van onverenigbaarheid.

7. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met de nodige maatregelen voor de uniforme toepassing van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Uitspraken die dit artikel aanhalen