Art. 8 Verordening (EU) nr. 984/2013, Toewijzingsmethodologie

Verordening (EU) nr. 984/2013

1. Voor de toewijzing van capaciteit in interconnectiepunten worden veilingen gebruikt.

2. Voor alle interconnectiepunten wordt dezelfde veilingsopzet toegepast. Het desbetreffende veilingsproces start simultaan voor alle betrokken interconnectiepunten. In elk veilingsproces, met betrekking tot één standaard capaciteitsproduct, wordt capaciteit toegewezen onafhankelijk van elk ander veilingsproces behalve wanneer, afhankelijk van het akkoord van de direct betrokken transmissiesysteembeheerders en de goedkeuring van de relevante nationale regulerende instanties, concurrerende capaciteit wordt toegewezen.

3. Veilingen voor standaard capaciteitsproducten volgen een logische volgorde waarin producten die betrekking hebben op jaarlijkse capaciteit het eerst worden aangeboden, gevolgd door het product met de volgende kortste capaciteitsduur voor gebruik gedurende dezelfde periode. De in de artikelen 11 tot en met 15 uiteengezette timing van de veilingen is consistent met dit beginsel.

4. De regels betreffende standaard capaciteitsproducten, als uiteengezet in artikel 9, en betreffende veilingen, als uiteengezet in de artikelen 11 tot en met 15, zijn van toepassing op gebundelde capaciteit en ongebundelde capaciteit in een interconnectiepunt.

5. Voor een bepaalde veiling wordt de beschikbaarheid van de relevante standaard capaciteitsproducten medegedeeld overeenkomstig de artikelen 11 tot en met 15 en overeenkomstig de veilingkalender.

6. Een hoeveelheid van minimaal 20 % van de technische capaciteit in elk interconnectiepunt wordt opzij gezet en wordt overeenkomstig lid 7 aangeboden op voorwaarde dat de beschikbare capaciteit op het tijdstip dat deze verordening in werking treedt gelijk is aan of groter is dan het opzij te zetten deel van de technische capaciteit. Als de beschikbare capaciteit op het tijdstip dat deze verordening in werking is getreden, kleiner is dan het opzij te zetten deel van de technische capaciteit, wordt het geheel van alle technische capaciteit opzij gezet. Deze capaciteit wordt aangeboden overeenkomstig lid 7, onder b), terwijl alle resterende opzij gezette capaciteit wordt aangeboden overeenkomstig lid 7, onder a).

7. Alle capaciteit die overeenkomstig lid 6 opzij is gezet, wordt aangeboden met inachtneming van de volgende bepalingen:

a) een hoeveelheid van minimaal 10 % van de technische capaciteit in elk interconnectiepunt wordt niet vroeger aangeboden dan op de jaarlijkse jaarcapaciteitsveiling, als bedoeld in artikel 11, die overeenkomstig de veilingkalender wordt gehouden gedurende het vijfde gasjaar voorafgaand aan de start van het relevante gasjaar, en

b) een verdere hoeveelheid van minimaal 10 % van de technische capaciteit in elk interconnectiepunt wordt als eerste aangeboden niet eerder dan op de jaarlijkse jaarcapaciteitsveiling, als bedoeld in artikel 12, die overeenkomstig de veilingkalender wordt gehouden gedurende het gasjaar voorafgaand aan de start van het relevante gasjaar.

8. In het geval van nieuwe capaciteit wordt een hoeveelheid van minimaal 10 % van de technische capaciteit in elk interconnectiepunt opzij gezet en niet vroeger aangeboden dan op de jaarlijkse kwartaalcapaciteitsveiling, als bedoeld in artikel 12, die overeenkomstig de veilingkalender wordt gehouden gedurende het gasjaar voorafgaand aan de start van het relevante gasjaar.

9. Het exacte aandeel van de overeenkomstig de leden 6 en 8 opzij gezette capaciteit wordt bepaald na raadpleging van de belanghebbenden, overeenstemming tussen de transmissiesysteembeheerders en goedkeuring door de nationale regulerende instanties voor elk interconnectiepunt. De nationale regulerende instanties overwegen met name om een hoger aandeel van de capaciteit voor een kortere duur opzij te zetten teneinde afscherming van downstream-leveranciersmarkten te voorkomen.