Art. 429 Verordening (EU) nr. 575/2013, Berekening van de hefboomratio

Verordening (EU) nr. 575/2013

1. De instellingen berekenen hun hefboomratio volgens de in de leden 2 tot en met 11 beschreven methode.

2. De hefboomratio wordt berekend als het quotiënt van de kapitaalmaatstaf van een instelling en de maatstaf voor de totale risicoblootstelling van een instelling, uitgedrukt als een percentage.

De instellingen berekenen de hefboomratio als het gewone rekenkundige gemiddelde van de maandelijkse hefboomratio's over een kwartaal.

3. Voor de toepassing van lid 2 is de kapitaalmaatstaf gelijk aan het tier 1-kapitaal.

4. De maatstaf voor de totale risicoblootstelling is de som van de blootstellingswaarden van alle activa en posten buiten de balanstelling die niet zijn afgetrokken bij de vaststelling van de in lid 3 bedoelde kapitaalmaatstaf.

Indien de instellingen entiteiten uit de financiële sector waarin zij overeenkomstig artikel 43 een significante belegging aanhouden, opnemen in hun consolidatie overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaglegging, maar niet in hun prudentiële consolidatie overeenkomstig deel 1, titel II, hoofdstuk 2, stellen zij de blootstellingswaarde voor die significante belegging niet vast overeenkomstig lid 5, punt a), van dit artikel maar als het bedrag dat wordt verkregen door vermenigvuldiging van het in deze alinea, onder a) bepaalde bedrag met de in deze alinea, onder b) bepaalde factor:

a) de som van de blootstellingswaarden van alle blootstellingen van de entiteit uit de financiële sector waarin de significante belegging wordt aangehouden;

b) voor al het direct, indirect of synthetisch bezit door een instelling van de tier 1-kernkapitaalinstrumenten van de entiteit uit de financiële sector, het totaalbedrag van die bestanddelen die niet overeenkomstig artikel 47 en artikel 48, lid 1, punt b), worden afgetrokken, gedeeld door het totaalbedrag van die bestanddelen.

5. De instellingen bepalen de blootstellingswaarde van activa overeenkomstig de volgende beginselen:

a) de blootstellingswaarden van activa, met uitzondering van de in bijlage II opgesomde contracten en van kredietderivaten, zijn de blootstellingswaarden overeenkomstig artikel 111, lid 1, eerste zin;

b) fysieke of financiële zekerheden, garanties of aangekochte kredietrisicolimitering worden niet gebruikt om de blootstellingswaarden van activa te verminderen;

c) leningen worden niet verrekend met deposito's;

6. De instellingen bepalen de blootstellingswaarde van in bijlage II vermelde contracten en van kredietderivaten, waaronder die buiten de balanstelling, overeenkomstig de in artikel 274 beschreven benadering.

Bij de bepaling van de blootstellingswaarde van in bijlage II genoemde contracten en van kredietderivaten houden instellingen rekening met de gevolgen van schuldvernieuwingscontracten en andere verrekeningsovereenkomsten, met uitzondering van overeenkomsten inzake productoverschrijdende contractuele verrekening, overeenkomstig artikel 295.

7. Bij wijze van afwijking van lid 6 kunnen de instellingen de in artikel 275 beschreven methode gebruiken om de blootstellingswaarde van de in bijlage II, punten 1 en 2, vermelde contracten te bepalen, doch uitsluitend als zij deze methode ook gebruiken om de blootstellingswaarde van deze contracten te bepalen om aan de eigenvermogensvereisten van artikel 92 te voldoen.

8. Bij het bepalen van de potentiële blootstelling aan toekomstig kredietrisico passen de instellingen de in artikel 299, lid 2, vastgelegde beginselen niet alleen toe op de aan de handelsportefeuille toegewezen kredietderivaten, maar op al hun kredietderivaten.

9. Instellingen bepalen de blootstellingswaarde van retrocessieovereenkomsten, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen, transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties, waaronder buitenbalanstransacties, overeenkomstig artikel 220, leden 1 tot en met 3, en artikel 222, en houden rekening met de gevolgen van kaderverrekeningsovereenkomsten, met uitzondering van overeenkomsten inzake productoverschrijdende contractuele verrekening, overeenkomstig artikel 206.

10. De instellingen bepalen de blootstellingswaarde van posten buiten de balanstelling, met uitzondering van de in de leden 6 en 9 van dit artikel bedoelde posten, overeenkomstig artikel 111, lid 1, met dien verstande dat de in dat artikel vermelde omrekeningsfactoren als volgt worden gewijzigd:

a) de omrekeningsfactor die moet worden toegepast op de nominale waarde voor onbenutte kredietfaciliteiten, die te allen tijde onvoorwaardelijk zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd, als bedoeld in bijlage I, punt 4, onder a) en b), is 10 %;

b) de omrekeningsfactor voor in bijlage I, punt 3, onder a), bedoelde aan handelsfinanciering gerelateerde posten buiten de balanstelling met een middelgroot/laag risico en voor in bijlage I, punt 3, onder b), onder i), bedoelde aan door de overheid gesteunde exportkredieten gerelateerde posten buiten de balanstelling, is 20 %;

c) de omrekeningsfactor voor in bijlage I, punt 2, onder a) en onder b), onder i), bedoelde aan handelsfinanciering gerelateerde posten buiten de balanstelling met een middelgroot risico en voor in bijlage I, punt 2, onder b), onder ii), bedoelde aan door de overheid gesteunde exportkredieten gerelateerde posten buiten de balanstelling, is 50 %;

d) de omrekeningsfactor voor alle andere in bijlage I genoemde posten buiten de balanstelling is 100 %.

11. Indien volgens de nationale algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen de fiduciaire activa in de balans worden opgenomen overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 86/635/EEG, kunnen deze activa buiten de maatstaf voor de totale risicoblootstelling voor de berekening van de hefboomratio worden gehouden op voorwaarde dat zij voldoen aan de criteria voor het niet-opnemen in de balans van de internationale standaard voor jaarrekeningen (IAS) 39, zoals van toepassing krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 en,, in voorkomend geval, de criteria voor niet-consolidatie van de internationale standaard voor financiële verslaglegging (IFRS)10, zoals van toepassing krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen