Art. 1 Richtlijn 2013/55/EU, Wijzigingen van Richtlijn 2005/36/EG
Richtlijn 2005/36/EG wordt als volgt gewijzigd:
1) Aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:
„Deze richtlijn stelt ook de regels vast voor de gedeeltelijke toegang tot een gereglementeerd beroep alsook voor de erkenning van een beroepsstage die in een andere lidstaat is volbracht.”.
2) Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
a) aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:
„Deze richtlijn is eveneens van toepassing op alle onderdanen van een lidstaat die buiten hun lidstaat van oorsprong een beroepsstage hebben gevolgd.”;
b) het volgende lid wordt toegevoegd:
„4. Deze richtlijn is niet van toepassing op bij een officieel overheidsbesluit benoemde notarissen.”.
3) Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
i) de punten f) en h) worden vervangen door:
„f) „beroepservaring”: de daadwerkelijke en geoorloofde voltijdse of gelijkwaardige deeltijdse uitoefening van het betrokken beroep in een lidstaat;
h) „proeve van bekwaamheid”: een controle van de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties van de aanvrager, die door de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat wordt verricht of erkend en die tot doel heeft te beoordelen of deze de bekwaamheid bezit om in deze lidstaat een gereglementeerd beroep uit te oefenen.
Ten behoeve van deze controle stellen de bevoegde autoriteiten op basis van een vergelijking tussen de in de ontvangende lidstaat vereiste opleiding en de opleiding die de aanvrager heeft ontvangen, een lijst op van de vakgebieden die niet bestreken worden door het diploma of de andere opleidingstitel(s) waarover de aanvrager beschikt.
Bij de proeve van bekwaamheid moet in aanmerking worden genomen dat de aanvrager in de lidstaat van oorsprong of herkomst een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar is. De proef heeft betrekking op de vakgebieden die moeten worden gekozen uit die welke op de lijst staan en waarvan de kennis een wezenlijke voorwaarde is om het beroep in kwestie in de ontvangende lidstaat te kunnen uitoefenen. Deze proef kan ook betrekking hebben op de kennis van de deontologie die in de ontvangende lidstaat op de betrokken activiteiten van toepassing is.
De nadere regelingen voor de proeve van bekwaamheid alsook de status, in de ontvangende lidstaat, die de aanvrager die zich op de proeve van bekwaamheid in die lidstaat wil voorbereiden heeft, worden vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat;”;
ii) de volgende punten worden toegevoegd:
„j) „beroepsstage”: onverminderd het bepaalde in artikel 46, lid 4, een periode van beroepsuitoefening onder toezicht, mits dit een voorwaarde voor de toegang tot een gereglementeerd beroep vormt, en die ofwel tijdens of na afloop van een opleiding die leidt tot een diploma kan plaatsvinden;
k) „Europese beroepskaart”: een elektronisch certificaat dat wordt afgegeven hetzij ten bewijze dat de beroepsbeoefenaar aan alle noodzakelijke voorwaarden voldoet om tijdelijk en incidenteel diensten te verrichten in een ontvangende lidstaat of dat de beroepskwalificaties met het oog op vestiging in een ontvangende lidstaat erkend zijn;
l) „een leven lang leren”: alle vormen van algemeen onderwijs, beroepsonderwijs en beroepsopleidingen, niet-formeel onderwijs en informeel leren die gedurende het gehele leven plaatsvinden en die tot meer kennis, vaardigheden en competenties leiden, eventueel ook op het gebied van de beroepsethiek;
m) „dwingende redenen van algemeen belang”: als zodanig in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende redenen;
n) „Europees systeem voor de overdracht van studiepunten of ECTS-studiepunten”: het in het Europees hogeronderwijsstelsel gangbare studiepuntenoverdrachtsysteem.”;
b) in lid 2 wordt de derde alinea vervangen door:
„Telkens wanneer een lidstaat erkenning verleent aan een in de eerste alinea bedoelde vereniging of organisatie, stelt hij de Commissie daarvan in kennis. De Commissie onderzoekt of die organisatie of vereniging voldoet aan de voorwaarden van de tweede alinea. Om recht te doen aan de ontwikkelingen in de regelgeving van de lidstaten, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op het actualiseren van bijlage I, voor zover is voldaan aan de voorwaarden van de tweede alinea.
Wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden van de tweede alinea, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast tot verwerping van het verzoek om actualisering van bijlage I.”.
4) Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:
„1. Erkenning van de beroepskwalificaties door de ontvangende lidstaat geeft de begunstigden in deze lidstaat toegang tot hetzelfde beroep als dat waarvoor zij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezitten en stelt hen in staat dit beroep uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen van de ontvangende lidstaat gelden.”;
b) het volgende lid wordt toegevoegd:
„3. In afwijking van lid 1, wordt gedeeltelijke toegang tot een beroep in de ontvangende lidstaat verleend onder de in artikel 4 septies vastgestelde voorwaarden.”.
5) De volgende artikelen worden ingevoegd:
„Artikel 4 bis
Europese beroepskaart
1. De lidstaten verstrekken aan de houders van een beroepskwalificatie op hun verzoek een Europese beroepskaart op voorwaarde dat de Commissie de in lid 7 bepaalde relevante uitvoeringshandelingen heeft vastgesteld.
2. Wanneer voor een bepaald beroep door middel van relevante uitvoeringshandelingen welke krachtens lid 7 zijn vastgesteld, een Europese beroepskaart is ingevoerd, kan de houder van de daartoe benodigde beroepskwalificatie een aanvraag voor een dergelijke kaart indienen of kan hij gebruikmaken van de procedures als bedoeld in de titels II en III.
3. De lidstaten zien erop toe dat de houder van een Europese beroepskaart alle bij de artikelen 4 ter tot en met 4 sexies verleende rechten geniet.
4. Wanneer de houder van een beroepskwalificatie krachtens titel II andere dan de in artikel 7, lid 4, bedoelde diensten wil verrichten, geeft de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong in overeenstemming met de artikelen 4 ter en 4 quater de daarvoor bedoelde Europese beroepskaart af. De Europese beroepskaart geldt in voorkomend geval als de in artikel 7 bedoelde verklaring.
5. Wanneer de houder van een beroepskwalificatie zich krachtens titel III, hoofdstukken I tot en met III bis, in een andere lidstaat wil vestigen of krachtens artikel 7, lid 4, diensten wil verrichten, voert de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong alle voorbereidende stappen uit met betrekking tot het binnen het Informatiesysteem interne markt (IMI) aangemaakte individuele dossier van de aanvrager (het IMI-bestand) als bepaald in de artikelen 4 ter en 4 quinquies. De bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat geeft de Europese beroepskaart af overeenkomstig de artikelen 4 ter en 4 quater.
Ten behoeve van vestiging verleent de afgifte van een Europese beroepskaart geen automatisch recht om een bepaald beroep uit te oefenen als er in de ontvangende lidstaat al registratievoorschriften of andere controleprocedures gelden voordat de Europese beroepskaart voor dat beroep wordt ingevoerd.
6. De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn voor de verwerking van IMI-bestanden en voor de afgifte van Europese beroepskaarten. Deze autoriteiten verzekeren een onpartijdige, objectieve en tijdige verwerking van de aanvragen voor een Europese beroepskaart. De in artikel 57 ter bedoelde assistentiecentra kunnen eveneens optreden in de hoedanigheid van bevoegde autoriteit. De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteiten en assistentiecentra de burgers en potentiële aanvragers informeren over de werking en de toegevoegde waarde van een Europese beroepskaart voor de beroepen waarvoor deze beschikbaar is.
7. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de maatregelen vast die noodzakelijk zijn voor de eenvormige toepassing van de bepalingen inzake de Europese beroepskaart voor de beroepen die voldoen aan de in de tweede alinea van dit lid neergelegde voorwaarden, waaronder ook maatregelen betreffende het formaat van de Europese beroepskaart, de verwerking van schriftelijke aanvragen, de door de aanvrager te verstrekken vertalingen ter ondersteuning van een aanvraag voor een Europese beroepskaart, de nadere bijzonderheden omtrent de documenten die volgens artikel 7, lid 2, of bijlage VII noodzakelijk zijn om een volledige aanvraag te kunnen indienen en de procedures voor de verrichting en verwerking van betalingen voor een Europese beroepskaart, rekening houdende met de bijzondere kenmerken van het betrokken beroep. Daarnaast bepaalt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen nader hoe, wanneer en voor welke documenten de bevoegde autoriteiten voor een bepaald beroep voor eensluidend gewaarmerkte afschriften kunnen verlangen overeenkomstig de tweede alinea van artikel 4 ter, lid 3, artikel 4 quater, lid 2, en artikel 4 quater, lid 3.
De invoering van een Europese beroepskaart voor een bepaald beroep door vaststelling van relevante, in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandelingen is onderworpen aan alle volgende voorwaarden:
a) er is sprake van een aanzienlijke mobiliteit of een potentieel aanzienlijke mobiliteit in de betrokken beroepsgroep;
b) de betrokken belanghebbenden hebben daarvoor voldoende belangstelling laten blijken;
c) het beroep dan wel de opleiding tot het bewuste beroep zijn in een substantieel aantal lidstaten gereglementeerd.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
8. De kosten die voor de aanvragers aan de administratieve procedures voor de afgifte van een Europese beroepskaart verbonden zijn, moeten redelijk, evenredig en in verhouding zijn met de door de lidstaten van oorsprong en de ontvangende lidstaten gemaakte kosten en mogen het aanvragen van een Europese beroepskaart niet ontmoedigen.
Artikel 4 ter
Aanvraag van een Europese beroepskaart en aanmaak van een IMI-bestand
1. De lidstaat van oorsprong stelt de houder van een beroepskwalificatie in staat een Europese beroepskaart aan te vragen middels een door de Commissie ter beschikking gesteld online-instrument, dat voor de betrokken aanvrager automatisch een IMI-bestand aanmaakt. Wanneer de lidstaat van oorsprong ook de mogelijkheid biedt schriftelijke aanvragen in te dienen, treft hij alle noodzakelijke voorzieningen voor de aanmaak van een IMI-bestand, voor de verzending van eventuele informatie naar de aanvrager en voor de afgifte van de Europese beroepskaart.
2. De aanvragen worden ondersteund door de documenten die zijn voorgeschreven volgens de ingevolge artikel 4 bis, lid 7, vast te stellen uitvoeringshandelingen.
3. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong bevestigt binnen een week na ontvangst van de aanvraag dat deze is ontvangen en deelt de aanvrager mee welke documenten mogelijk ontbreken.
In voorkomend geval verstrekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong eventueel daartoe uit hoofde van deze richtlijn benodigde attesten. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong gaat na of de aanvrager legaal in de lidstaat van oorsprong gevestigd is en of alle benodigde documenten die in de lidstaat van oorsprong zijn afgegeven geldig en authentiek zijn. Indien hierover gegronde twijfel bestaat, raadpleegt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong een daartoe bevoegde instantie en kan zij de aanvrager om voorlegging van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van documenten verzoeken. Indien eenzelfde aanvrager meerdere aanvragen doet, mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van oorsprong en de ontvangende lidstaten geen nieuwe indiening verlangen van documenten die al in het IMI-bestand zijn opgenomen en nog steeds geldig zijn.
4. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de technische specificaties vaststellen, alsmede de maatregelen die nodig zijn om de integriteit, vertrouwelijkheid en nauwkeurigheid van de gegevens op de Europese beroepskaart en in het IMI-bestand te waarborgen, en de voorwaarden en procedures voor de afgifte van de Europese beroepskaart aan de houder, met inbegrip van de mogelijkheid om het IMI-bestand te downloaden of te actualiseren. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 4 quater
Europese beroepskaart voor het tijdelijk en incidenteel verrichten van diensten die niet onder artikel 7, lid 4, vallen
1. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong verifieert de aanvraag en de bijbehorende bewijsstukken in het IMI-bestand en geeft binnen drie weken een Europese beroepskaart af voor het tijdelijk en incidenteel verrichten van andere diensten dan die welke vallen onder artikel 7, lid 4. Die termijn gaat in op het moment van ontvangst van ontbrekende documenten als bedoeld in de eerste alinea van artikel 4 ter, lid 3, of, indien er geen bijkomende documenten vereist waren, bij het verstrijken van de in die alinea bedoelde periode van een week. Zij stuurt de Europese beroepskaart vervolgens onverwijld naar de bevoegde autoriteit van elke betrokken ontvangende lidstaat en stelt de aanvrager hiervan in kennis. De ontvangende lidstaat kan gedurende de daaropvolgende achttien maanden geen enkele aanvullende verklaring in de zin van artikel 7 meer eisen.
2. Tegen de beslissing van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong, of het uitblijven daarvan binnen de in lid 1 bedoelde termijn van drie weken, kan overeenkomstig nationaal recht beroep worden aangetekend.
3. Indien de houder van een Europese beroepskaart in andere dan de aanvankelijk in lid 1 bedoelde aanvraag vermelde lidstaten diensten wil verrichten, kan hij een aanvraag voor een dergelijke uitbreiding indienen. Indien de houder langer dan gedurende de in lid 1 bedoelde periode diensten wil blijven verrichten, dient hij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis te stellen. In beide gevallen dient de betrokken houder daarnaast ook alle informatie te verschaffen omtrent wezenlijke veranderingen in de in het IMI-bestand vastgelegde situatie die door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong kan worden verlangd overeenkomstig de ingevolge artikel 4 bis, lid 7, vast te stellen uitvoeringshandelingen. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong zendt de geactualiseerde Europese beroepskaart toe aan de betrokken ontvangende lidstaten.
4. De Europese beroepskaart blijft op het volledige grondgebied van alle betrokken ontvangende lidstaten gelden zolang de houder het recht behoudt om te werken op basis van de in het IMI-bestand opgeslagen documenten en informatie.
Artikel 4 quinquies
Europese beroepskaart voor vestiging en voor tijdelijke en incidentele verrichting van diensten zoals bedoeld in artikel 7, lid 4
1. Met het oog op de afgifte van een Europese beroepskaart voor vestiging of voor tijdelijke en incidentele verrichting van diensten zoals bedoeld in artikel 7, lid 4, controleert de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong binnen één maand de echtheid en geldigheid van de bijbehorende bewijsstukken in het IMI-bestand. Die termijn gaat in op het moment van ontvangst van de ontbrekende documenten bedoeld in de eerste alinea van artikel 4 ter, lid 3, of, indien er geen bijkomende documenten vereist waren, bij het verstrijken van de in die alinea bedoelde periode van een week. Vervolgens doet zij de aanvraag onverwijld toekomen aan de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat. De lidstaat van oorsprong stelt de aanvrager op hetzelfde moment in kennis van de status van de aanvraag als dat waarop hij de aanvraag aan de ontvangende lidstaat doet toekomen.
2. In de in de artikelen 16, 21, 49 bis en 49 ter bedoelde gevallen beslist de ontvangende lidstaat binnen één maand na ontvangst van de door de lidstaat van oorsprong toegezonden aanvraag of hij een Europese beroepskaart uit hoofde van lid 1 zal afgeven. In geval van gegronde twijfel kan de ontvangende lidstaat de lidstaat van oorsprong om aanvullende informatie dan wel om het meesturen van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een document verzoeken, die de lidstaat van oorsprong binnen maximaal twee weken na de indiening van het verzoek moet verstrekken. Behoudens hetgeen is bepaald in lid 5, tweede alinea, geldt de periode van een maand, ongeacht of een dergelijk verzoek is gedaan.
3. In de in artikel 7, lid 4, en artikel 14, bedoelde gevallen beslist de ontvangende lidstaat binnen twee maanden na de ontvangst van de door de lidstaat van oorsprong toegezonden aanvraag of hij een Europese beroepskaart zal afgeven dan wel of de houder van een beroepskwalificatie compenserende maatregelen worden opgelegd. In geval van gegronde twijfel kan de ontvangende lidstaat de lidstaat van oorsprong om aanvullende informatie dan wel om het meesturen van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een document verzoeken, die de lidstaat van oorsprong binnen maximaal twee weken na de indiening van het verzoek moet verstrekken. Behoudens hetgeen is bepaald in lid 5, tweede alinea, geldt de periode van twee maanden, ongeacht of een dergelijk verzoek is gedaan.
4. In het geval de ontvangende lidstaat van zowel de lidstaat van oorsprong als de aanvrager niet de nodige informatie ontvangt die hij volgens deze richtlijn nodig heeft voor het nemen van een besluit over de afgifte van de Europese beroepskaart, mag hij weigeren de kaart af te geven. Deze weigering wordt naar behoren gemotiveerd.
5. Wanneer de ontvangende lidstaat geen beslissing neemt binnen de in de leden 2 en 3 van dit artikel gestelde termijnen of er niet in slaagt conform artikel 7, lid 4, een proeve van bekwaamheid te organiseren, wordt de Europese beroepskaart geacht te zijn afgegeven en wordt zij via het IMI automatisch toegezonden aan de houder van een beroepskwalificatie.
De ontvangende lidstaat heeft de mogelijkheid om de in de leden 2 en 3 bedoelde termijnen voor de automatische afgifte van de Europese beroepskaart met twee weken te verlengen. Hij licht de reden voor de verlenging nader toe en stelt de aanvrager daarvan in kennis. Een dergelijke verlenging kan eenmaal en alleen wanneer het strikt noodzakelijk is worden herhaald, met name om redenen die verband houden met de volksgezondheid of de veiligheid van de afnemers van de diensten.
6. De door de lidstaat van oorsprong overeenkomstig lid 1 genomen maatregelen vervangen elke aanvraag voor erkenning van beroepskwalificaties overeenkomstig het nationale recht van de ontvangende lidstaat.
7. Tegen de door de lidstaat van oorsprong en de ontvangende lidstaat uit hoofde van de leden 1 tot en met 5 genomen beslissingen of tegen het uitblijven van een beslissing van de lidstaat van oorsprong kan beroep worden aangetekend overeenkomstig het nationale recht van de betrokken lidstaat.
Artikel 4 sexies
Verwerking van en toegang tot gegevens met betrekking tot de Europese beroepskaart
1. Onverminderd het vermoeden van onschuld, werken de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong en van de ontvangende lidstaat het overeenkomstige IMI-bestand tijdig bij met informatie over vastgestelde tuchtrechtelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties die betrekking hebben op een verbod of restrictie en die van invloed kunnen zijn op de uitoefening van werkzaamheden van de houder van een Europese beroepskaart in het kader van deze richtlijn. Daarbij nemen zij de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (*1) en in Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (*2) in acht. Deze updates dienen het verwijderen van gegevens te omvatten die niet langer nodig zijn. De houder van de Europese beroepskaart en de bevoegde autoriteiten die toegang hebben tot het desbetreffende IMI-bestand worden onmiddellijk in kennis gesteld van eventuele updates. Deze verplichting geldt onverminderd de voor de lidstaten geldende waarschuwingsverplichtingen uit hoofde van artikel 56 bis.
2. De inhoud van de in lid 1 bedoelde updates beperkt zich tot het volgende:
a) de identiteit van de beroepsbeoefenaar;
b) het betreffende beroep;
c) informatie over de nationale autoriteit of rechtbank die de beperkings- of verbodsbeslissing heeft genomen;
d) de reikwijdte van de beperking of het verbod; en
e) de periode waarin de beperking of het verbod van kracht is.
3. De toegang tot de gegevens in het IMI-bestand is beperkt tot de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong en de ontvangende lidstaten, in overeenstemming met Richtlijn 95/46/EG. De bevoegde autoriteiten stellen de houder van de Europese beroepskaart op diens verzoek in kennis van de inhoud van het IMI-bestand.
4. De gegevens op de Europese beroepskaart beperken zich tot de gegevens die nodig zijn om vast te stellen dat de houder gerechtigd is om het beroep uit te oefenen waarvoor de kaart werd afgegeven, namelijk de houders voornaam, achternaam, datum en plaats van geboorte, beroep, officiële kwalificaties, toepasselijk stelsel, betrokken bevoegde autoriteiten, kaartnummer, beveiligingsfuncties en een verwijzing naar een geldig bewijs van identiteit. Informatie met betrekking tot opgedane beroepservaring of compensatiemaatregelen waaraan door de houder van de Europese beroepskaart is voldaan, wordt opgenomen in het IMI-bestand.
5. De persoonsgegevens in het IMI-bestand komen voor verwerkingsdoeleinden in aanmerking zolang dat nodig is met het oog op de erkenningsprocedure als zodanig en als bewijs van de erkenning of van de toezending van de krachtens artikel 7 vereiste verklaring. De lidstaten zien erop toe dat de houder van een Europese beroepskaart het recht heeft om op elk moment, en zonder dat daaraan voor hem kosten zijn verbonden, te verzoeken om rechtzetting van onjuiste of onvolledige gegevens, dan wel om schrapping of afscherming van het desbetreffende IMI-bestand. De houder wordt van dit recht in kennis gesteld op het moment dat de Europese beroepskaart wordt afgegeven, en wordt daaraan vervolgens om de twee jaar herinnerd. De herinnering wordt automatisch via IMI verstuurd wanneer de eerste aanvraag voor de Europese beroepskaart online werd ingediend.
In geval van een verzoek tot verwijdering van een IMI-bestand dat is gekoppeld aan een Europese beroepskaart die met het oog op vestiging of de tijdelijke en incidentele verrichting van diensten op grond van artikel 7, lid 4, is afgegeven, verschaffen de bevoegde autoriteiten van de betrokken ontvangende lidstaat de houder van de beroepskwalificaties een attest waaruit blijkt dat zijn beroepskwalificaties worden erkend.
6. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens die voorkomen op de Europese beroepskaart en in alle IMI-bestanden worden de ter zake bevoegde autoriteiten van de lidstaten beschouwd als de verantwoordelijken voor de verwerking in de zin van artikel 2, onder d), van Richtlijn 95/46/EG. Met betrekking tot haar verantwoordelijkheden uit hoofde van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel en de daarmee verband houdende verwerking van persoonsgegevens geldt de Commissie als verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (*3).
7. Onverminderd lid 3, bepalen de ontvangende lidstaten dat werkgevers, klanten, patiënten, overheidsinstanties en andere belanghebbende partijen de echtheid en de geldigheid kunnen controleren van een Europese beroepskaart die hun door de kaarthouder wordt voorgelegd.
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen regels vast inzake de toegang tot het IMI-bestand, de technische middelen en de procedures voor de in de eerste alinea bedoelde controle. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 4 septies
Gedeeltelijke toegang
1. De bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat verleent per geval gedeeltelijke toegang tot een beroepsactiviteit op zijn grondgebied, doch alleen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a) de beroepsbeoefenaar is in zijn lidstaat van oorsprong volledig gekwalificeerd om de beroepsactiviteit uit te oefenen waarvoor in de ontvangende lidstaat gedeeltelijke toegang wordt aangevraagd;
b) de verschillen tussen de in de lidstaat van oorsprong legaal verrichte beroepsactiviteiten en het gereglementeerde beroep in de ontvangende lidstaat zijn zo groot dat de toepassing van compenserende maatregelen erop zou neerkomen dat de aanvrager het volledige onderwijs- en opleidingsprogramma in de ontvangende lidstaat zou moeten doorlopen om tot het volledige gereglementeerde beroep in de ontvangende lidstaat toegelaten te worden;
c) de beroepsactiviteit kan objectief worden gescheiden van andere activiteiten die het gereglementeerde beroep in de ontvangende lidstaat omvat.
Voor de toepassing van punt c) dient de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat rekening te houden met de vraag of de beroepsactiviteit autonoom in de lidstaat van oorsprong kan worden uitgeoefend.
2. Gedeeltelijke toegang kan worden afgewezen indien deze afwijzing door een dwingende reden van algemeen belang gerechtvaardigd is, indien zulks passend is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel en het niet verder gaat dan wat noodzakelijk is om dat doel te bereiken.
3. Aanvragen bedoeld voor vestiging in een ontvangende lidstaat worden overeenkomstig titel III, hoofdstukken I en IV onderzocht.
4. Aanvragen bedoeld voor het tijdelijk en incidenteel verrichten van diensten in de ontvangende lidstaat die betrekking hebben op beroepsactiviteiten met implicaties voor de volksgezondheid of de openbare veiligheid, worden overeenkomstig titel II onderzocht.
5. In afwijking van artikel 7, lid 4, zesde alinea, en artikel 52, lid 1, wordt de beroepsactiviteit uitgeoefend onder de beroepstitel van de lidstaat van oorsprong zodra gedeeltelijke toegang is verleend. De ontvangende lidstaat kan het gebruik van die beroepstitel in de talen van de ontvangende lidstaat voorschrijven. Beroepsbeoefenaren aan wie gedeeltelijke toegang is verleend, maken de ontvangers van de diensten duidelijk kenbaar tot welke gebieden hun beroepsactiviteiten zich uitstrekken.
6. Dit artikel is niet van toepassing op beroepsbeoefenaren wier beroepskwalificaties automatisch worden erkend uit hoofde van titel III, hoofdstukken II, III en III bis.
(*1) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31."
(*2) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37."
(*3) PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.”."
6) In artikel 5, lid 1, wordt punt b) vervangen door:
„b) wanneer de dienstverrichter zich naar een andere lidstaat begeeft, indien hij dat beroep tijdens de laatste tien jaar die voorafgaan aan de dienstverrichting gedurende ten minste een jaar heeft uitgeoefend in een of meer lidstaten wanneer het beroep niet gereglementeerd is in de lidstaat van vestiging. Deze voorwaarde, namelijk een jaar beroepsuitoefening, is niet van toepassing wanneer het beroep of het onderwijs en de opleiding die toegang verleent tot het beroep gereglementeerd is.”.
7) Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 2 wordt als volgt gewijzigd:
i) de punten d) en e) worden vervangen door:
„d) voor gevallen als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder b), een bewijs dat de dienstverrichter de betrokken werkzaamheden in de tien voorafgaande jaren gedurende ten minste een jaar heeft uitgeoefend;
e) voor beroepen in de veiligheidssector, de gezondheidssector en voor beroepen in de onderwijssector waar met minderjarigen wordt gewerkt, inclusief kinderopvang en het voor- en vroegschoolse onderwijs, een verklaring waarin wordt bevestigd dat de desbetreffende persoon geen tijdelijk of permanent beroepsverbod heeft of niet strafrechtelijk is veroordeeld, indien de lidstaat zulks ook van zijn eigen onderdanen eist;”;
ii) de volgende punten worden toegevoegd:
„f) voor beroepen met patiëntveiligheidsimplicaties, een verklaring omtrent de kennis van de taal die voor de uitoefening van het beroep van de aanvrager in de ontvangende lidstaat noodzakelijk is;
g) voor beroepen betreffende de in artikel 16 bedoelde werkzaamheden en die door een lidstaat overeenkomstig artikel 59, lid 2, zijn aangemeld, een certificaat aangaande de aard en de duur van de activiteit, afgegeven door de bevoegde autoriteit of instantie van de lidstaat waar de dienstverrichter is gevestigd.”;
b) het volgende lid wordt ingevoegd:
„2 bis. De indiening van een vereiste verklaring door de dienstverrichter overeenkomstig lid 1 geeft die dienstverrichter het recht op toegang tot de beoogde dienstenactiviteit of om die activiteit uit te oefenen op het gehele grondgebied van de betrokken lidstaat. Een lidstaat kan met betrekking tot de beroepskwalificaties van de dienstverrichter de in lid 2 vermelde aanvullende gegevens eisen indien:
a) het beroep in delen van het grondgebied van die lidstaat anders is gereglementeerd;
b) deze reglementering ook op alle onderdanen van die lidstaat van toepassing is;
c) deze verschillen in regelgeving te rechtvaardigen zijn door dwingende redenen van algemeen belang die verband houden met de volksgezondheid of de openbare veiligheid van de afnemers van de diensten; en
d) de lidstaat over geen andere middelen beschikt om deze informatie te verkrijgen.”;
c) lid 4 wordt vervangen door:
„4. In het geval van gereglementeerde beroepen met implicaties voor de volksgezondheid of de openbare veiligheid en waarop de automatische erkenning uit hoofde van titel III, hoofdstuk II, III of III bis, niet van toepassing is, kan de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat vóór de eerste dienstverrichting de beroepskwalificaties van de dienstverrichter controleren. Een dergelijke controle vooraf is alleen mogelijk indien de controle bedoeld is om ernstige schade voor de gezondheid of de veiligheid van de afnemer van de dienstverrichting ingevolge een ontoereikende beroepskwalificatie van de dienstverrichter te voorkomen en indien de controle niet meer omvat dan voor dit doel noodzakelijk is.
De bevoegde autoriteit stelt de dienstverrichter binnen een termijn van ten hoogste een maand na ontvangst van de verklaring en de begeleidende documenten als bedoeld in de leden 1 en 2 in kennis van haar besluit om:
a) zijn beroepskwalificaties niet te controleren;
b) na de beroepskwalificatie te hebben gecontroleerd,
i) van de dienstverrichter het afleggen van een proeve van bekwaamheid te verlangen; of
ii) het verrichten van de diensten toe te staan.
Wanneer er zich problemen voordoen die een vertraging veroorzaken bij het nemen van een besluit uit hoofde van de tweede alinea, stelt de bevoegde autoriteit de dienstverrichter binnen dezelfde termijn in kennis van de reden van de vertraging. Het probleem moet voor het einde van de eerste maand na deze kennisgeving worden opgelost en het besluit moet binnen twee maanden na oplossing van het probleem zijn vastgesteld.
Wanneer de beroepskwalificaties van de dienstverrichter wezenlijk verschillen van de in de ontvangende lidstaat vereiste opleiding, en wel in die mate dat dit verschil de volksgezondheid of de openbare veiligheid schaadt, en wanneer de dienstverrichter dit niet kan compenseren door beroepservaring of in het kader van een leven lang leren verworven kennis, vaardigheden of competenties die formeel zijn gevalideerd door een daartoe bevoegde instantie, dient de ontvangende lidstaat die dienstverrichter de mogelijkheid te bieden om in het bijzonder door middel van een proeve van bekwaamheid, als bedoeld in de tweede alinea, onder b), te bewijzen dat hij de ontbrekende kennis, vaardigheden of competentie heeft verworven. De ontvangende lidstaat neemt op basis hiervan een besluit over het toestaan van het verrichten van de diensten. De dienstverrichting dient in ieder geval te kunnen plaatsvinden tijdens de maand die volgt op die waarin het overeenkomstig de tweede alinea genomen besluit is getroffen.
Indien de bevoegde autoriteit binnen de in de tweede en derde alinea vermelde termijn niet reageert, mag de dienst worden verricht.
In de gevallen waarin de beroepskwalificaties overeenkomstig dit lid zijn geverifieerd, wordt de dienst verricht onder de beroepstitel van de ontvangende lidstaat.”.
8) In artikel 8 wordt lid 1 vervangen door:
„1. De bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging in geval van gegronde twijfel verzoeken om alle informatie over de rechtmatigheid van de vestiging en het goede gedrag van de dienstverrichter, alsmede het ontbreken van eventuele tuchtrechtelijke of strafrechtelijke maatregelen ter zake van de beroepsuitoefening. Indien de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat besluiten de beroepskwalificaties van de dienstverrichter te controleren, kunnen zij bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging informatie aanvragen over de opleidingscursussen van de dienstverrichter, voor zover dit nodig is voor het beoordelen van wezenlijke verschillen die de volksgezondheid of de openbare veiligheid kunnen schaden. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging verstrekken deze informatie overeenkomstig artikel 56. In het geval van in de lidstaat van oorsprong niet-gereglementeerde beroepen kunnen de in artikel 57 ter bedoelde assistentiecentra deze informatie ook verstrekken.”.
9) Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
a) de eerste alinea wordt gewijzigd als volgt:
i) het inleidende gedeelte wordt vervangen door:
„Voor de toepassing van artikel 13 en artikel 14, lid 6, worden beroepskwalificaties in de volgende niveaus ingedeeld:”;
ii) het bepaalde onder c), punt ii), wordt vervangen door:
„ii) hetzij een gereglementeerde opleiding of, in het geval van gereglementeerde beroepen, een beroepsopleiding met een bijzondere structuur waarbij competenties worden aangereikt die verder gaan dan wat niveau b verstrekt, die gelijkwaardig is aan het in punt i) vermelde opleidingsniveau, indien deze opleiding tot een vergelijkbare beroepsbekwaamheid opleidt en op een vergelijkbaar niveau van verantwoordelijkheden en taken voorbereidt, mits het diploma vergezeld gaat van een certificaat van de lidstaat van oorsprong;”;
iii) de punten d) en e) worden vervangen door:
„d) een diploma dat bewijst dat de aanvrager een postsecundaire opleiding met een duur van ten minste drie jaar en ten hoogste vier jaar of met een daaraan gelijkwaardige duur in geval van een deeltijdse opleiding heeft afgesloten, die daarnaast kan worden uitgedrukt in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten behaald aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of aan een andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau, en dat, in voorkomend geval, bewijst dat hij de beroepsopleiding die als aanvulling op de postsecundaire opleiding vereist is, met succes heeft afgesloten;
e) een diploma dat bewijst dat de aanvrager een postsecundaire opleiding met een duur van ten minste vier jaar of met een daaraan gelijkwaardige duur in geval van een deeltijdse opleiding heeft afgesloten, die daarnaast kan worden uitgedrukt in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, behaald aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of aan een andere instelling met hetzelfde opleidingsniveau en dat, in voorkomend geval, bewijst dat hij de beroepsopleiding die als aanvulling op de postsecundaire opleiding vereist is, met succes heeft afgesloten.”;
b) lid 2 komt te vervallen.
10) In artikel 12 wordt de eerste alinea vervangen door:
„Met een opleidingstitel ter afsluiting van een in artikel 11 bedoelde opleiding, met inbegrip van het betrokken niveau, wordt gelijkgesteld elke opleidingstitel die, ofwel elk geheel van opleidingstitels dat, door een bevoegde autoriteit in een lidstaat is afgegeven, wanneer daarmee een in de Unie op voltijdse of deeltijdse basis zowel binnen als buiten formele programma’s gevolgde opleiding wordt afgesloten die door deze lidstaat als gelijkwaardig wordt erkend en de houder ervan dezelfde rechten inzake de toegang tot of de uitoefening van een beroep verleent, dan wel hem voorbereidt op de uitoefening van dat beroep.”.
11) Artikel 13 wordt vervangen door:
„Artikel 13
Voorwaarden inzake erkenning
1. Wanneer in een ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties, staat de bevoegde autoriteit van deze lidstaat onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden de toegang tot en uitoefening van dit beroep toe aan aanvragers die in het bezit zijn van een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel zoals bedoeld in artikel 11 dat/die in een andere lidstaat verplicht wordt gesteld voor de toegang tot of de uitoefening van dat beroep op zijn grondgebied.
De bekwaamheidsattesten of opleidingstitels moeten worden afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat is aangewezen.
2. De in lid 1 omschreven toegang tot en uitoefening van een beroep wordt eveneens toegestaan aan aanvragers die het beroep in kwestie tijdens de voorafgaande tien jaar op voltijdse basis gedurende een jaar of gedurende een daarmee in zijn totaliteit overeenkomende periode op deeltijdbasis hebben uitgeoefend in een andere lidstaat waar dat beroep niet is gereglementeerd, en die beschikken over een of meer bekwaamheidsattesten of opleidingstitels bezitten en die zijn afgegeven door een andere lidstaat die dat beroep niet reglementeert.
De bekwaamheidsattesten en opleidingstitels moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) zij moeten afgegeven worden door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat is aangewezen;
b) zij moeten aantonen dat de houder op de uitoefening van het betrokken beroep is voorbereid.
De in de eerste alinea bedoelde beroepservaring van een jaar kan echter niet worden geëist wanneer de aanvrager met de opleidingstitel(s) waarover hij beschikt kan aantonen dat hij een gereglementeerde opleiding heeft afgesloten.
3. De ontvangende lidstaat erkent het overeenkomstig artikel 11 door de lidstaat van oorsprong geattesteerde opleidingsniveau, evenals het certificaat waarmee de lidstaat van oorsprong verklaart dat de opleiding als bedoeld in artikel 11, onder c), ii), gelijkwaardig is aan het niveau als bedoeld in artikel 11, onder c), i).
4. In afwijking van de leden 1 en 2 van dit artikel en van artikel 14 kan de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat de toegang tot en de uitoefening van het beroep weigeren aan houders van een onder a) van artikel 11 geclassificeerd bekwaamheidsattest wanneer de nationale beroepskwalificatie die voor de uitoefening van het beroep op zijn grondgebied vereist is, onder e) van artikel 11 is ingedeeld.”.
12) Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:
„1. Artikel 13 belet niet dat de ontvangende lidstaat in een van de volgende gevallen van de aanvrager verlangt dat hij een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar doorloopt of een proeve van bekwaamheid aflegt:
a) wanneer de door de aanvrager gevolgde opleiding betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door de in de ontvangende lidstaat vereiste opleidingstitel;
b) wanneer het in de ontvangende lidstaat gereglementeerde beroep een of meer gereglementeerde beroepswerkzaamheden omvat die niet bestaan in het overeenkomstige beroep in de lidstaat van oorsprong van de aanvrager, en waarvoor een opleiding in de ontvangende lidstaat vereist is die betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van die welke vallen onder het bekwaamheidsattest of de opleidingstitel die de aanvrager overlegt.”;
b) in lid 2 wordt de derde alinea vervangen door:
„Wanneer de Commissie van mening is dat de in de tweede alinea bedoelde afwijking onterecht of in strijd met het Unierecht is, stelt zij binnen drie maanden na ontvangst van alle nodige informatie een uitvoeringshandeling vast waarbij de betrokken lidstaat verzocht wordt om van de voorgenomen maatregel af te zien. Wanneer binnen deze termijn geen reactie van de Commissie is ontvangen, kan de afwijking worden toegepast.”;
c) in lid 3 worden de volgende alinea’s toegevoegd:
„In afwijking van het in lid 2 neergelegde beginsel op grond waarvan de aanvrager het recht heeft te kiezen, kan de ontvangende lidstaat hetzij een aanpassingsstage hetzij een proeve van bekwaamheid voorschrijven in het geval dat:
a) de houder van een beroepskwalificatie als bedoeld in artikel 11, onder a), een aanvraag tot erkenning van zijn beroepskwalificaties indient, terwijl de benodigde nationale beroepskwalificatie is geclassificeerd onder artikel 11, punt c); of
b) de houder van een beroepskwalificatie als bedoeld in artikel 11, onder b), een aanvraag tot erkenning van zijn beroepskwalificaties indient, terwijl de benodigde nationale beroepskwalificatie is geclassificeerd onder artikel 11, punt d) of e).
Indien de houder van een beroepskwalificatie als bedoeld in artikel 11, onder a), een verzoek tot erkenning van zijn beroepskwalificaties indient, terwijl de benodigde nationale beroepskwalificatie is gerangschikt onder artikel 11, punt d), kan de ontvangende lidstaat zowel een aanpassingsstage als een proeve van bekwaamheid voorschrijven.”;
d) de leden 4 en 5 worden vervangen door:
„4. Voor de toepassing van de leden 1 en 5 wordt onder „vakgebieden die wezenlijk verschillen” verstaan vakgebieden waarvan de kennis en de vaardigheden en competenties van essentieel belang zijn voor de uitoefening van het beroep en waarvoor de door de migrant ontvangen opleiding qua duur of inhoud wezenlijk afwijkt van de door de ontvangende lidstaat vereiste opleiding.
5. Lid 1 wordt toegepast met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Indien de ontvangende lidstaat overweegt van de aanvrager een aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid te verlangen, moet hij met name eerst nagaan of de kennis, vaardigheden en competenties die de aanvrager heeft verworven in het kader van zijn beroepservaring of in het kader van een leven lang leren en die met dat doel door een bevoegde instantie formeel zijn gevalideerd, in een lidstaat of derde land het in lid 4 gedefinieerde wezenlijk verschil geheel of gedeeltelijk kunnen overbruggen.”;
e) de volgende leden worden toegevoegd:
„6. De beslissing tot oplegging van een aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid wordt naar behoren gemotiveerd. De aanvrager krijgt de volgende informatie:
a) het in de ontvangende lidstaat vereiste beroepskwalificatieniveau en het door de aanvrager behaalde beroepskwalificatieniveau volgens de classificatie in artikel 11; en
b) de wezenlijke verschillen bedoeld in lid 4 en de redenen waarom deze verschillen niet kunnen worden gecompenseerd door de kennis, vaardigheden en competenties welke zijn verworven door beroepservaring of levenslang leren, en die met dat doel door een bevoegde instantie formeel zijn gevalideerd.
7. De lidstaten zorgen ervoor dat een aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld de in lid 1 bedoelde proeve van bekwaamheid af te leggen binnen een termijn van zes maanden na het initiële besluit waarbij hem een proeve van bekwaamheid is opgelegd.”.
13) Artikel 15 wordt geschrapt.
14) Artikel 20 wordt vervangen door:
„Artikel 20
Aanpassing van de lijsten van werkzaamheden in bijlage IV
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de aanpassing van de lijst van werkzaamheden van bijlage IV waarvoor overeenkomstig artikel 16 beroepservaring wordt erkend, met het oog op de actualisering of verduidelijking van de in bijlage IV opgesomde werkzaamheden, met name om het toepassingsgebied daarvan nader te specificeren en om rekening te houden met de laatste ontwikkelingen op het gebied van op werkzaamheden gebaseerde nomenclaturen, zonder dat dit het toepassingsgebied van de werkzaamheden binnen de afzonderlijke categorieën mag verkleinen of dat er een verschuiving van werkzaamheden mag plaatsvinden tussen de bestaande lijsten I, II en III van bijlage IV.”.
15) Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 4 wordt vervangen door:
„4. Ten aanzien van de exploitatie van een apotheek waarvoor geen territoriale beperkingen gelden, mag een lidstaat, bij wijze van uitzondering, besluiten voor de vestiging van nieuwe voor het publiek toegankelijke apotheken opleidingstitels als bedoeld in punt 5.6.2 van bijlage V niet te erkennen. Voor de toepassing van dit lid worden ook apotheken die minder dan drie jaar open zijn als nieuwe apotheken beschouwd.
Deze afwijking is eventueel niet van toepassing op apothekers wier opleidingstitel reeds door de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat is erkend voor andere doeleinden en die gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren in die lidstaat rechtmatig en effectief de beroepswerkzaamheden van apotheker hebben uitgeoefend.”;
b) lid 6 wordt vervangen door:
„6. Elke lidstaat stelt de toegang tot en uitoefening van de beroepswerkzaamheden van artsen, verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen en apothekers afhankelijk van het bezit van een opleidingstitel zoals bedoeld in bijlage V, respectievelijk de punten 5.1.1, 5.1.2, 5.1.4, 5.2.2, 5.3.2, 5.3.3, 5.4.2, 5.5.2 en 5.6.2, die waarborgt dat de betrokkene gedurende zijn gehele opleiding de in artikel 24, lid 3, artikel 31, lid 6, artikel 31, lid 7, artikel 34, lid 3, artikel 38, lid 3, artikel 40, lid 3, en artikel 44, lid 3, bedoelde kennis, vaardigheden en competenties, zoals toepasselijk, heeft verworven.
Om rekening te houden met de algemeen erkende wetenschappelijke en technische vooruitgang, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen om de kennis en vaardigheden bedoeld in artikel 24, lid 3, artikel 31, lid 6, artikel 34, lid 3, artikel 38, lid 3, artikel 40, lid 3, artikel 44, lid 3 en artikel 46, lid 4, bij te werken ter aanpassing aan de ontwikkeling van het Unierecht dat rechtstreeks van toepassing is op de betrokken beroepsbeoefenaren.
Deze aanpassingen mogen voor geen enkele lidstaat een wijziging van de bestaande essentiële rechtsbeginselen betreffende de regeling van beroepen met betrekking tot de opleiding en toegangsvoorwaarden voor natuurlijke personen inhouden. Deze aanpassingen laten de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de organisatie van de onderwijsstelsels als bedoeld in artikel 165, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) onverlet.”;
c) lid 7 wordt geschrapt.
16) Het volgende artikel wordt ingevoegd:
„Artikel 21 bis
Kennisgevingsprocedure
1. Elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de afgifte van opleidingstitels op de door dit hoofdstuk bestreken beroepen.
Voor de in afdeling 8 bedoelde opleidingstitels wordt de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving ook aan de andere lidstaten gericht.
2. De in lid 1 bedoelde kennisgeving moet ook informatie omvatten omtrent de duur en de inhoud van de opleidingsprogramma’s.
3. De in lid 1 bedoelde kennisgeving dient te worden verzonden via het IMI.
4. Om naar behoren rekening te houden met de wettelijke en bestuurlijke ontwikkelingen in de lidstaten en voor zover de op grond van lid 1 van dit artikel meegedeelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in overeenstemming zijn met de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de punten 5.1.1 tot en met 5.1.4, 5.2.2, 5.3.2, 5.3.3, 5.4.2, 5.5.2, 5.6.2 en 5.7.1 van bijlage V, betreffende de actualisering van de door de lidstaten goedgekeurde benamingen voor de opleidingstitels alsmede, in voorkomend geval, de instelling die de opleidingstitel, het certificaat dat deze titel vergezelt en de overeenkomstige beroepstitel afgeeft.
5. Wanneer de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke overeenkomstig lid 1 zijn meegedeeld niet in overeenstemming zijn met de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast tot weigering van de gevraagde wijziging van de punten 5.1.1 tot en met 5.1.4, 5.2.2, 5.3.2, 5.3.3, 5.4.2, 5.5.2, 5.6.2 of 5.7.1 van bijlage V.”.
17) Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
a) in de eerste alinea wordt punt b) vervangen door:
„b) conform de voor elke lidstaat specifieke procedures zien de lidstaten er, door continue professionele ontwikkeling te stimuleren, op toe dat beroepsbeoefenaren wier opleiding valt onder hoofdstuk III van deze titel in staat zijn hun kennis, vaardigheden en competenties bij te werken met het oog op de instandhouding van veilige en effectieve praktijken en om de professionele ontwikkelingen op de voet te kunnen volgen.”;
b) het volgende lid wordt toegevoegd:
„De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 18 januari 2016 in kennis van de maatregelen die overeenkomstig lid 1, onder b), zijn genomen.”.
18) In artikel 24 wordt lid 2 vervangen door:
„2. De medische basisopleiding omvat in totaal ten minste vijf studiejaren, die eventueel ook mogen worden uitgedrukt in het daarmee overeenkomende equivalent in ECTS-studiepunten en bestaat uit ten minste 5 500 uur theoretisch en praktisch onderwijs aan een universiteit of onder toezicht van een universiteit.
Voor beroepsbeoefenaren die vóór 1 januari 1972 met hun studie zijn begonnen, kan de in de eerste alinea bedoelde opleiding een praktische opleiding op universitair niveau van zes maanden omvatten, in de vorm van een voltijdse opleiding onder toezicht van de bevoegde autoriteiten.”.
19) Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:
„1. Voor de toelating tot de opleiding tot medisch specialist moet een medische basisopleiding zoals bedoeld in artikel 24, lid 2, met goed gevolg zijn volbracht gedurende welke de vereiste medische basiskennis is verworven.”;
b) het volgende lid wordt ingevoegd:
„3 bis. Een lidstaat kan in zijn nationale wetgeving per geval toe te passen gedeeltelijke vrijstellingen vaststellen voor de in punt 5.1.3 van bijlage V vermelde onderdelen van een medische specialistenopleiding, indien dat opleidingsonderdeel al is doorlopen in het kader van een andere in punt 5.1.3 van bijlage V vermelde specialistenopleiding en op voorwaarde dat de beroepsbeoefenaar zijn beroepskwalificatie reeds in een lidstaat had behaald. De lidstaten dragen er zorg voor dat de verleende vrijstelling overeenstemt met maximaal de helft van de minimumduur van de desbetreffende medische specialistenopleiding.
Iedere lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van zijn nationale wetgeving ter zake voor elk van die gedeeltelijke vrijstellingen.”;
c) lid 5 wordt vervangen door:
„5. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen aangaande aanpassingen van de minimumopleidingsduur zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.1.3, teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.”.
20) In artikel 26 wordt het tweede lid vervangen door:
„De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen voor het toevoegen aan bijlage V, punt 5.1.3, van nieuwe medische specialismen die ten minste twee vijfden van de lidstaten gemeenschappelijk hebben, teneinde wijzigingen van nationale wetgeving naar behoren in acht te nemen en met het oog op het actualiseren van deze richtlijn.”.
21) In artikel 27 wordt het volgende lid ingevoegd:
„2 bis. Ook indien de bewuste opleiding niet voldoet aan alle in artikel 25 bedoelde opleidingseisen, erkennen de lidstaten niettemin de in bijlage V, punten 5.1.2 en 5.1.3, vermelde kwalificaties welke in Italië zijn behaald door gespecialiseerde artsen die na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1991 met hun specialistenopleiding zijn begonnen, op voorwaarde dat de kwalificatie wordt ondersteund door een certificaat dat door de bevoegde Italiaanse autoriteiten is afgegeven en waaruit blijkt dat de betrokken arts tijdens de tien jaar die aan de toekenning van het certificaat zijn voorafgegaan gedurende ten minste zeven opeenvolgende jaren daadwerkelijk en op een legale manier binnen hetzelfde specialistische vakgebied in Italië de activiteiten van medisch specialist heeft uitgeoefend.”.
22) In artikel 28 wordt lid 1 vervangen door:
„1. Voor de toelating tot de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde moet een medische basisopleiding zoals bedoeld in artikel 24, lid 2, met goed gevolg zijn volbracht gedurende welke de leerling de vereiste medische basiskennis heeft verworven.”.
23) Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:
„1. Voor de toelating tot de opleiding tot verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger is het volgende vereist:
a) afsluiting van twaalf jaar algemeen onderwijs, bevestigd met een door de bevoegde autoriteiten of instellingen van een lidstaat afgegeven diploma, certificaat of andere titel, of een certificaat ten bewijze dat men geslaagd is voor een gelijkwaardig examen en dat toegang verleent tot een universiteit of een als gelijkwaardig erkende instelling voor hoger onderwijs; of
b) afsluiting van minstens tien jaar algemeen onderwijs, bevestigd met een door de bevoegde autoriteiten of instellingen van een lidstaat afgegeven diploma, certificaat of andere titel, of een certificaat ten bewijze dat men geslaagd is voor een gelijkwaardig examen dat toegang verleent tot een school voor beroepsonderwijs of een beroepsopleiding voor verpleegkunde.”;
b) in lid 2 worden de tweede en de derde alinea vervangen door:
„De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen om wijzigingen aan te brengen in de lijst in bijlage V, punt 5.2.1, teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
De in de tweede alinea bedoelde wijzigingen mogen voor geen enkele lidstaat een wijziging van de bestaande essentiële rechtsbeginselen betreffende de regeling van beroepen met betrekking tot de opleiding en toegangsvoorwaarden voor natuurlijke personen inhouden. Deze aanpassingen laten de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de organisatie van de onderwijsstelsels als neergelegd in artikel 165, lid 1, VWEU onverlet.”;
c) de eerste alinea van lid 3 wordt vervangen door:
„De opleiding tot verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger omvat in totaal ten minste drie studiejaren, die daarnaast kunnen worden uitgedrukt in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, bestaande uit ten minste 4 600 uur theoretisch en klinisch onderwijs, waarbij de duur van het theoretisch onderwijs ten minste een derde en die van het klinisch onderwijs ten minste de helft van de minimumduur van de opleiding bedraagt. De lidstaten kunnen gedeeltelijke vrijstelling verlenen aan beroepsbeoefenaren die een deel van deze opleiding hebben gevolgd in het kader van andere opleidingen van ten minste gelijkwaardig niveau.”;
d) lid 4 wordt vervangen door:
„4. Onder theoretisch onderwijs wordt verstaan dat deel van de opleiding in de verpleegkunde waar de leerling-verpleger de kennis, vaardigheden en competenties verwerft die krachtens de leden 6 en 7 zijn vereist. Deze opleiding wordt gegeven door docenten in de verpleegkunde en andere bevoegde personen in universiteiten, instellingen voor hoger onderwijs van een als gelijkwaardig erkend niveau of scholen voor beroepsonderwijs dan wel beroepsopleidingen voor verpleegkunde.”;
e) de eerste alinea van lid 5 wordt vervangen door:
„5. Onder klinisch onderwijs wordt verstaan dat deel van de opleiding in de verpleegkunde waar de leerling-verpleger in teamverband en in rechtstreeks contact met een gezonde persoon of patiënt en/of een gemeenschap op grond van verworven kennis, vaardigheden en competenties de vereiste algemene verpleegkundige verzorging leert plannen, verstrekken en beoordelen. De leerling-verpleger leert niet alleen in teamverband werken, maar ook als teamleider op te treden en zich bezig te houden met de organisatie van de algemene verpleegkundige verzorging, waaronder de gezondheidseducatie voor individuele personen en kleine groepen binnen instellingen voor gezondheidszorg of in de gemeenschap.”;
f) lid 6 wordt vervangen door:
„6. De opleiding tot verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger waarborgt dat de betrokken beroepsbeoefenaar de volgende kennis en vaardigheden heeft verworven:
a) uitgebreide kennis van de wetenschappen waarop de algemene ziekenverpleging is gebaseerd, met inbegrip van voldoende kennis van het organisme, de fysiologie en het gedrag van de gezonde en de zieke mens, alsmede van het verband tussen de gezondheidstoestand en de fysieke en sociale omgeving van de mens;
b) kennis van de aard en de ethiek van het beroep en van de algemene beginselen betreffende gezondheid en verpleging;
c) adequate klinische ervaring; deze ervaring, bij de keuze waarvan de vormende waarde voorop dient te worden gesteld, moet worden opgedaan onder toezicht van geschoold verpleegkundig personeel en op plaatsen waar de numerieke omvang van het geschoolde personeel en de uitrusting geschikt zijn voor de verpleging van zieken;
d) bekwaamheid om deel te nemen aan de praktische opleiding van het op het gebied van de gezondheidszorg werkzame personeel en ervaring op het gebied van samenwerking met dit personeel;
e) ervaring op het gebied van samenwerking met andere personen die beroepsmatig op het gebied van de gezondheidszorg werkzaam zijn.”;
g) het volgende lid wordt toegevoegd:
„7. Een titel van een opleiding als verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger bewijst dat de betrokken beroepsbeoefenaar in staat is minstens de volgende competenties toe te passen, ongeacht of de opleiding is verkregen aan een universiteit, een als gelijkwaardig erkende instelling voor hoger onderwijs dan wel aan een school voor beroepsonderwijs of via een beroepsopleiding voor verpleegkunde;
a) competentie om met de huidige theoretische en klinische kennis zelfstandig een diagnose te stellen voor de nodige verpleegkundige verzorging en om de verpleegkundige verzorging bij de behandeling van patiënten te plannen, organiseren en implementeren op basis van de kennis en vaardigheden die overeenkomstig lid 6, onder a), b) en c), zijn verworven ter verbetering van de praktijkervaring;
b) competentie om doeltreffend samen te werken met andere actoren in de gezondheidszorg, met inbegrip van deelname aan de praktische opleiding van het op het gebied van de gezondheidszorg werkzame personeel, op basis van de kennis en vaardigheden die overeenkomstig lid 6, onder d) en e), zijn verworven;
c) competentie om personen, gezinnen en groepen te helpen een gezonde levensstijl aan te nemen en voor zichzelf te zorgen op basis van de kennis en vaardigheden die overeenkomstig lid 6, onder a) en b), zijn verworven;
d) competentie om zelfstandig urgente levensreddende maatregelen te kunnen treffen en in crisis- en rampensituaties te kunnen handelen;
e) competentie om zorgbehoevenden en hun naasten onafhankelijk te adviseren, instrueren en ondersteunen;
f) competentie om zelfstandig de kwaliteit van verpleegkundige verzorging te kunnen garanderen en evalueren;
g) competentie om beroepsmatig duidelijk te communiceren en samen te werken met andere personen die op het gebied van de gezondheidszorg werkzaam zijn;
h) competentie om de kwaliteit van de zorg te analyseren om hun eigen praktijkervaring als verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger te verbeteren.”.
24) Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 2 wordt geschrapt;
b) lid 3 wordt vervangen door:
„3. De lidstaten erkennen opleidingstitels in de verpleegkunde die/
a) in Polen zijn afgegeven aan verpleegkundigen die vóór 1 mei 2004 hun opleiding hebben voltooid, en die niet overeenstemmen met de in artikel 31 bedoelde minimumopleidingseisen, en
b) worden gestaafd met het diploma „bachelor” dat werd verkregen op basis van een speciaal voortgezet programma zoals bedoeld in:
i) artikel 11 van de wet van 20 april 2004 inzake de wijziging van de wet op de beroepen van verpleegkundige en verloskundige en inzake enige andere rechtsbesluiten (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2004, nr. 92, pos. 885 en van 2007, nr. 176, pos. 1237), en de verordening van de minister van Volksgezondheid van 11 mei 2004 inzake de gedetailleerde voorwaarden voor het verstrekken van opleidingen voor verpleegkundigen en verloskundigen die in het bezit zijn van een diploma middelbaar onderwijs (eindexamen — matura) en zijn afgestudeerd aan een medische school of een instelling voor medisch beroepsonderwijs waar het beroep van verpleegkundige en van verloskundige wordt aangeleerd (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2004, nr. 110, pos. 1170, en van 2010, nr. 65, pos. 420); of
ii) artikel 52.3, punt 2, van het besluit van 15 juli 2011 over de beroepen van verpleegkundige en verloskundige (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2011, nr. 174, pos. 1039); en de verordening van de minister van Volksgezondheid van 14 juni 2012 over de gedetailleerde voorwaarden voor het verstrekken van opleidingen voor verpleegkundigen en verloskundigen die in het bezit zijn van een diploma middelbaar onderwijs (eindexamen — matura) en zijn afgestudeerd aan een medische middelbare school of een vervolgopleiding waar het beroep van verpleegkundige en van verloskundige wordt aangeleerd (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2012, pos. 770),
teneinde na te gaan of de kennis en de competentie van de betrokken beroepsbeoefenaar op een niveau liggen dat vergelijkbaar is met dat van verpleegkundigen met titels die voor Polen zijn opgesomd in bijlage V, punt 5.2.2.”.
25) Artikel 33 bis wordt vervangen door:
„33 bis. Ten aanzien van de Roemeense opleidingstitels van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger geldt dat uitsluitend de hierna genoemde bepalingen van toepassing zijn op verworven rechten:
In het geval van onderdanen van lidstaten die in Roemenië zijn opgeleid als verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger en wier opleiding niet voldoet aan de in artikel 31 neergelegde minimumopleidingseisen, erkennen de lidstaten de volgende opleidingstitels van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger als genoegzaam bewijs, mits deze titels vergezeld gaan van een certificaat waarin wordt bevestigd dat de betrokken onderdanen van lidstaten daadwerkelijk en op legale wijze de werkzaamheden van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger in Roemenië hebben uitgeoefend, waaronder de volledige verantwoordelijkheid voor de planning, organisatie en uitvoering van de verpleging van patiënten, en wel gedurende een periode van minstens drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaar voorafgaand aan de datum van afgifte van het certificaat:
a) certificat de competențe profesionale de asistent medical generalist met postsecundaire opleiding verkregen aan een școală postliceală, waaruit blijkt dat vóór 1 januari 2007 met de opleiding is begonnen;
b) diplomă de absolvire de asistent medical generalist met een hogere opleiding van korte duur, waaruit blijkt dat vóór 1 oktober 2003 met de opleiding is begonnen;
c) diplomă de absolvire de asistent medical generalist met een hogere opleiding van lange duur, waaruit blijkt dat vóór 1 oktober 2003 met de opleiding is begonnen.”.
26) In artikel 34 wordt lid 2 vervangen door:
„2. De basisopleiding tandheelkunde duurt in totaal ten minste vijf jaar, eventueel aanvullend uitgedrukt in het equivalente aantal ECTS-studiepunten, bestaat uit ten minste 5 000 uur voltijdse theoretische en praktische opleiding aan een universiteit, aan een instelling voor hoger onderwijs van een als gelijkwaardig erkend niveau of onder toezicht van een universiteit en omvat ten minste het in bijlage V, punt 5.3.1, opgenomen studieprogramma.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanpassing van de lijst in bijlage V, punt 5.3.1, aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
De in de tweede alinea bedoelde wijzigingen mogen voor geen enkele lidstaat een wijziging van de bestaande essentiële rechtsbeginselen betreffende de regeling van beroepen met betrekking tot de opleiding en toegangsvoorwaarden voor natuurlijke personen inhouden. Deze aanpassingen laten de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de organisatie van de onderwijsstelsels als neergelegd in artikel 165, lid 1, VWEU onverlet.”.
27) Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:
„1. Voor de toelating tot de opleiding tot specialist in de tandheelkunde moet een basisopleiding tandheelkunde als bedoeld in artikel 34 met goed gevolg zijn volbracht, of moet men in het bezit zijn van de stukken bedoeld in de artikelen 23 en 37.”;
b) lid 2 wordt als volgt gewijzigd:
i) de tweede alinea wordt vervangen door:
„De voltijdse opleiding tot specialist in de tandheelkunde duurt ten minste drie jaar en staat onder supervisie van de bevoegde autoriteiten of instellingen. De aankomend specialist in de tandheelkunde dient persoonlijk aan de werkzaamheden van de betrokken inrichting deel te nemen en daarvoor verantwoordelijkheid te dragen.”;
ii) de derde alinea wordt geschrapt;
c) de volgende leden worden toegevoegd:
„4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen aangaande aanpassingen van de minimumopleidingsduur zoals bedoeld in lid 2, teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
5. De Commissie is teneinde rekening te houden met de ontwikkeling van de nationale wetgeving en met het oog op de actualisering van deze richtlijn bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen voor het toevoegen aan bijlage V, punt 5.3.3, van nieuwe tandheelkundige specialismen die ten minste twee vijfden van de lidstaten gemeenschappelijk hebben.”.
28) In artikel 37 worden de volgende leden toegevoegd:
„3. Met betrekking tot de opleidingstitels van beoefenaren der tandheelkunde moeten de lidstaten dergelijke titels overeenkomstig artikel 21 erkennen in gevallen waarin de aanvragers met hun opleidingen zijn begonnen vóór 18 januari 2016.
4. Elke lidstaat erkent de opleidingstitels van arts welke in Spanje zijn afgegeven aan beroepsbeoefenaren die na 1 januari 1986 en niet later dan 31 december 1997 met hun universitaire artsenopleiding zijn begonnen, en welke vergezeld gaan van een door de Spaanse bevoegde instanties afgegeven certificaat.
Uit dit certificaat moet blijken dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de betrokken beroepsbeoefenaar heeft met goed gevolg een studie van ten minste drie jaar gevolgd, die volgens een officiële verklaring van de Spaanse bevoegde autoriteiten gelijkwaardig is aan de in artikel 34 bedoelde opleiding;
b) de betrokken beroepsbeoefenaar heeft in Spanje tijdens de vijf jaar die aan de afgifte van het certificaat voorafgaan gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren daadwerkelijk, wettig en als hoofdactiviteit de in artikel 36 bedoelde werkzaamheden uitgeoefend;
c) de betrokken beroepsbeoefenaar is bevoegd de in artikel 36 bedoelde werkzaamheden uit te oefenen, of oefent deze daadwerkelijk, wettig en als hoofdactiviteit uit, onder dezelfde voorwaarden als de houders van de opleidingstitel die voor Spanje in bijlage V, punt 5.3.2, is vermeld.”.
29) Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:
„1. De diergeneeskundige opleiding omvat in totaal ten minste vijf jaar theoretisch en praktisch onderwijs — eventueel aanvullend uitgedrukt in het equivalente aantal ECTS-studiepunten — op voltijdbasis aan een universiteit, aan een instelling voor hoger onderwijs van een als gelijkwaardig erkend niveau of onder toezicht van een universiteit en omvat ten minste het in bijlage V, punt 5.4.1, opgenomen studieprogramma.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst in bijlage V, punt 5.4.1, teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
De in de tweede alinea bedoelde wijzigingen mogen voor geen enkele lidstaat een wijziging van de bestaande essentiële rechtsbeginselen betreffende de regeling van beroepen met betrekking tot de opleiding en toegangsvoorwaarden voor natuurlijke personen inhouden. Deze aanpassingen laten de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de organisatie van de onderwijsstelsels als neergelegd in artikel 165, lid 1, VWEU onverlet.”;
b) lid 3 wordt vervangen door:
„3. De opleiding tot dierenarts waarborgt dat de betrokken beroepsbeoefenaar de volgende kennis en vaardigheden heeft verworven:
a) voldoende kennis van de wetenschappen waarop de werkzaamheden van de dierenarts berusten en van de Uniewetgeving betreffende deze werkzaamheden;
b) voldoende kennis van de constitutie, de functies, het gedrag en de fysiologische behoeften van dieren, alsmede de vaardigheden en competenties die nodig zijn voor de houderij, de voeding, het welzijn, de voortplanting en de hygiëne van dieren in het algemeen;
c) de klinische, epidemiologische en analytische vaardigheden en competenties die nodig zijn voor de preventie, diagnose en behandeling van dierziekten, met inbegrip van anesthesie, aseptische chirurgie en pijnloze levensbeëindiging, hetzij individueel, hetzij in groep, met inbegrip van de specifieke kennis van ziekten die op de mens kunnen worden overgedragen;
d) voldoende kennis, vaardigheden en competenties voor preventieve geneeskunde, met inbegrip van de beantwoording van vragen en certificering;
e) voldoende kennis van de hygiëne en technologie voor het verkrijgen, vervaardigen en in omloop brengen van dierlijke voedingsmiddelen of voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong bestemd voor menselijke consumptie, met inbegrip van de nodige vaardigheden en competenties voor het begrijpen en uitleggen van goede praktijken op dit gebied;
f) de kennis, vaardigheden en competenties die nodig zijn voor het verantwoord en verstandig gebruik van de geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, om de dieren te behandelen en om de veiligheid van de voedselketen en de bescherming van het milieu te garanderen.”.
30) Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 worden de derde en de vierde alinea vervangen door:
„De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst in bijlage V, punt 5.5.1, teneinde dit aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.
De in de derde alinea bedoelde wijzigingen mogen voor geen enkele lidstaat een wijziging van de bestaande essentiële rechtsbeginselen betreffende de regeling van beroepen met betrekking tot de opleiding en toegangsvoorwaarden voor natuurlijke personen inhouden. Deze aanpassingen laten de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de organisatie van de onderwijsstelsels als neergelegd in artikel 165, lid 1, VWEU onverlet.”;
b) lid 2 wordt vervangen door het volgende:
„2. Voor de toelating tot de opleiding tot verloskundige moet aan een van de volgende voorwaarden zijn voldaan:
a) voor mogelijkheid I, het doorlopen van ten minste twaalf jaar algemene schoolopleiding of een certificaat ten bewijze dat men geslaagd is voor een gelijkwaardig toelatingsexamen voor scholen voor verloskundigen;
b) voor mogelijkheid II het bezit van een opleidingstitel van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2”;
c) lid 3 wordt vervangen door:
„3. De opleiding tot verloskundige waarborgt dat de betrokken beroepsbeoefenaar de volgende kennis en vaardigheden heeft verworven:
a) grondige kennis van de wetenschappen waarop de werkzaamheden van de verloskundige berusten, met name de verloskunde en de gynaecologie;
b) voldoende kennis van de beroepsethiek en de wetgeving die relevant is voor de uitoefening van het beroep;
c) voldoende kennis van de algemene medische wetenschap (biologische functies, anatomie en fysiologie) en van de farmacologie op het gebied van de verloskunde en de perinatologie, alsmede kennis van het verband tussen de gezondheidstoestand en de fysieke en sociale omgeving van de mens en van zijn gedrag;
d) voldoende klinische ervaring, zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid opgedaan in erkende inrichtingen waar verloskundigen, voor zover nodig en met uitsluiting van pathologische situaties, prenatale zorg kunnen verstrekken, een bevalling kunnen uitvoeren en kunnen zorgen voor de opvolging daarvan in een erkende instelling, en toezicht kunnen houden bij baringen en bevallingen, postnatale zorg en neonatale reanimatie, in afwachting van een arts;
e) voldoende op de hoogte zijn van de opleiding van het op het gebied van de gezondheidszorg werkzame personeel en ervaring op het gebied van de samenwerking met dit personeel.”.
31) In artikel 41 wordt lid 1 vervangen door:
„1. De in bijlage V, punt 5.5.2, bedoelde opleidingstitels van verloskundige worden overeenkomstig artikel 21 automatisch erkend indien zij aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
a) een voltijdse opleiding tot verloskundige van ten minste drie jaar, eventueel aanvullend uitgedrukt in het equivalente aantal ECTS-studiepunten, die ten minste 4 600 uur theoretisch en praktisch onderwijs omvat, waarvan ten minste een derde betrekking heeft op klinisch onderwijs;
b) een voltijdse opleiding tot verloskundige van ten minste twee jaar, eventueel aanvullend uitgedrukt in het equivalente aantal ECTS-studiepunten, die bestaat uit ten minste 3 600 uur, waarvoor het bezit is vereist van een opleidingstitel van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2;
c) een voltijdse opleiding tot verloskundige van ten minste achttien maanden, eventueel aanvullend uitgedrukt in het equivalente aantal ECTS-studiepunten, die ten minste 3 000 uur omvat, waarvoor het bezit is vereist van een opleidingstitel van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2, en gevolgd door een praktijkervaring waarvoor overeenkomstig lid 2 een bewijs is afgegeven.”.
32) Artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:
a) het volgende lid wordt ingevoegd:
„1 bis. Met betrekking tot de opleidingstitel van verloskundige erkennen de lidstaten automatisch de kwalificaties wanneer de aanvrager de opleiding heeft aangevat vóór 18 januari 2016, en de toelatingsvoorwaarde voor die opleiding tien jaar algemeen onderwijs of een gelijkwaardig niveau was voor mogelijkheid I, of een voltooide opleiding als verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger zoals bewezen door een opleidingstitel als bedoeld in bijlage V, punt 5.2.2, alvorens de opleiding tot verloskundige onder mogelijkheid II aan te vatten.”;
b) lid 3 wordt geschrapt;
c) lid 4 wordt vervangen door:
„4. De lidstaten erkennen opleidingstitels in de verloskunde die:
a) in Polen zijn afgegeven aan verloskundigen die vóór 1 mei 2004 hun opleiding hebben voltooid, en die niet overeenstemmen met de in artikel 40 neergelegde minimumopleidingseisen, en
b) worden gestaafd met het diploma „bachelor” dat werd verkregen op basis van een speciaal voortgezet programma zoals bedoeld in:
i) artikel 11 van de wet van 20 april 2004 inzake de wijziging van de wet op de beroepen van verpleegkundige en verloskundige en inzake enige andere rechtsbesluiten (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2004, nr. 92, pos. 885 en van 2007, nr. 176, pos. 1237); en de verordening van de minister van Volksgezondheid van 11 mei 2004 inzake de gedetailleerde voorwaarden voor het verstrekken van opleidingen voor verpleegkundigen en verloskundigen die in het bezit zijn van een diploma middelbaar onderwijs (eindexamen — matura) en zijn afgestudeerd aan een medische school of een instelling voor medisch beroepsonderwijs waar het beroep van verpleegkundige en van verloskundige wordt aangeleerd (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2004, nr. 110, pos. 1170, en van 2010, nr. 65, pos. 420); of
ii) artikel 53.3, punt 3, van het besluit van 15 juli 2011 over de beroepen van verpleegkundige en verloskundige (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2011 nr. 174, pos. 1039); en de verordening van de minister van Volksgezondheid van 14 juni 2012 over de gedetailleerde voorwaarden voor het verstrekken van opleidingen voor verpleegkundigen en verloskundigen die in het bezit zijn van een diploma middelbaar onderwijs (eindexamen — matura) en zijn afgestudeerd aan een medische middelbare school of een vervolgopleiding waar het beroep van verpleegkundige en van verloskundige wordt aangeleerd (Staatsblad van de Poolse Republiek van 2012, pos. 770),
teneinde na te gaan of de kennis en de competentie van de betrokken beroepsbeoefenaar op een niveau liggen dat vergelijkbaar is met dat van verloskundigen met titels die voor Polen zijn opgesomd in bijlage V, punt 5.2.2.”.
33) In artikel 44 wordt lid 2 vervangen door:
„2. De opleidingstitel van apotheker vormt de afsluiting van een opleiding van ten minste vijf jaar, eventueel aanvullend uitgedrukt in het equivalente aantal ECTS-studiepunten, waarvan ten minste:
a) vier jaar voltijds theoretisch en praktisch onderwijs aan een universiteit, aan een instelling voor hoger onderwijs van een als gelijkwaardig erkend niveau of onder toezicht van een universiteit;
b) tijdens of na de theoretische en praktische opleiding een stage van zes maanden in een voor het publiek toegankelijke apotheek of in een ziekenhuis onder toezicht van de farmaceutische dienst van dat ziekenhuis.
De in dit lid bedoelde studiecyclus omvat ten minste het in bijlage V, punt 5.6.1, opgenomen studieprogramma. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst in bijlage V, punt 5.6.1, teneinde deze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, inclusief de ontwikkeling van de farmacologische praktijk.
De in de tweede alinea bedoelde wijzigingen mogen voor geen enkele lidstaat een wijziging van de bestaande essentiële rechtsbeginselen betreffende de regeling van beroepen met betrekking tot de opleiding en toegangsvoorwaarden voor natuurlijke personen inhouden. Deze aanpassingen laten de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de organisatie van de onderwijsstelsels als neergelegd in artikel 165, lid 1, VWEU onverlet.”.
34) In artikel 45 wordt lid 2 vervangen door:
„2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de houders van een opleidingstitel op het terrein van de farmacie van universitair niveau of een als gelijkwaardig erkend niveau, die voldoet aan de in artikel 44 gestelde voorwaarden, ten minste gerechtigd zijn tot de toegang tot en de uitoefening van de hierna bedoelde werkzaamheden, onder voorbehoud, in voorkomend geval, van de eis van aanvullende beroepservaring:
a) de bereiding van geneesmiddelen in hun farmaceutische vorm;
b) de vervaardiging van en de controle op geneesmiddelen;
c) de controle op geneesmiddelen in een laboratorium bestemd voor die controle;
d) de opslag, bewaring en distributie van geneesmiddelen in het groothandelsstadium;
e) de aanvoer, bereiding, controle, opslag, distributie en verstrekking van veilige en doeltreffende geneesmiddelen van de vereiste kwaliteit naar en in voor het publiek toegankelijke apotheken;
f) de bereiding, controle, opslag en verstrekking van veilige en doeltreffende geneesmiddelen van de vereiste kwaliteit in ziekenhuizen;
g) het verstrekken van informatie en advies over geneesmiddelen als zodanig, inclusief betreffende het juiste gebruik ervan;
h) rapportering van de bijwerkingen van farmaceutische producten aan de bevoegde autoriteiten;
i) de gepersonaliseerde begeleiding van patiënten die hun medicijnen zelf toedienen;
j) meewerken aan lokale of nationale gezondheidscampagnes.”.
35) Artikel 46 wordt vervangen door:
„Artikel 46
Opleiding tot architect
1. De opleiding tot architect omvat:
a) in totaal hetzij ten minste vijf jaar studie op voltijdbasis aan een universiteit of een vergelijkbare onderwijsinstelling ter afsluiting waarvan met goed gevolg een examen op universitair niveau wordt afgelegd; of
b) niet minder dan vier jaar studie op voltijdbasis aan een universiteit of een vergelijkbare onderwijsinstelling ter afsluiting waarvan met goed gevolg een examen op universitair niveau wordt afgelegd, vergezeld van een certificaat ten bewijze dat een beroepsstage van twee jaar is volbracht, in overeenstemming met lid 4.
2. Architectuur moet het belangrijkste onderdeel zijn van de in lid 1 bedoelde studie. De studie besteedt evenveel aandacht aan de theoretische als aan de praktische aspecten van de architectuuropleiding en waarborgt ten minste de verwerving van de volgende kennis, vaardigheden en competenties:
a) vermogen tot architectonische vormgeving die zowel aan esthetische als aan technologische eisen voldoet;
b) passende kennis van de geschiedenis en de theorie van de architectuur en de aanverwante kunstvormen, technologische vakken en menswetenschappen;
c) kennis van de beeldende kunsten voor zover deze van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de architectonische vormgeving;
d) passende kennis van stedenbouwkunde, planologie en de in de planologie gebruikte technieken;
e) inzicht in de relatie tussen mensen en architectonische constructies en tussen architectonische constructies en hun omgeving, alsmede in de noodzaak om architectonische constructies en de ruimten daartussen af te stemmen op menselijke behoeften en maatstaven;
f) inzicht in het architectenberoep en de rol van de architect in de maatschappij, met name bij het maken van projecten waarin rekening wordt gehouden met sociale factoren;
g) inzicht in de onderzoeks- en voorbereidingsmethoden bij het maken van projecten;
h) inzicht in de problemen op het gebied van het constructief ontwerp, de constructie en de civiele bouwkunde in verband met het ontwerpen van gebouwen;
i) passende kennis van de natuurkundige en technologische vraagstukken, alsmede van de functie van het gebouw, met het oog op het verschaffen van binnencomfort en bescherming tegen weersomstandigheden in het kader van duurzame ontwikkeling;
j) de nodige vaardigheden als ontwerper teneinde binnen de door begrotingsfactoren en bouwvoorschriften gestelde grenzen te kunnen voldoen aan de eisen van de gebruikers van het bouwwerk;
k) passende kennis van de industrieën, organisaties, voorschriften en procedures die een rol spelen bij de omzetting van ontwerpen in gebouwen en het inpassen van plannen in de ruimtelijke ordening.
3. Het aantal jaar academische opleiding als bedoeld in de leden 1 en 2 kan bovendien worden uitgedrukt in equivalente ECTS-studiepunten.
4. De in lid 1, onder b), bedoelde beroepsstage wordt pas verricht na de voltooiing van de eerste drie jaar van de studie. Tijdens ten minste een jaar van de beroepsstage wordt voortgebouwd op de tijdens de studie verworven kennis, vaardigheden en competenties als bedoeld in lid 2. Daartoe wordt de beroepsstage gevolgd onder toezicht van een door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong erkende persoon of instantie. Deze stage onder toezicht mag in om het even welk land worden gevolgd. De beroepsstage wordt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong geëvalueerd.”.
36) Artikel 47 wordt vervangen door:
„Artikel 47
Afwijkingen van de eisen inzake de opleiding tot architect
In afwijking van artikel 46 wordt, in het kader van de sociale verheffing of van deeltijdse universitaire studies, eveneens als beantwoordend aan artikel 21 erkend: de opleiding die voldoet aan de eisen van artikel 46, lid 2, en die wordt afgesloten met een examen in de architectuur dat met goed gevolg is afgelegd door een beroepsbeoefenaar die al zeven jaar of langer op het gebied van de architectuur werkzaam is onder toezicht van een architect of een architectenbureau. Dit examen moet op universitair niveau staan en gelijkwaardig zijn aan het in artikel 46, lid 1, onder b), bedoelde afsluitende examen.”.
37) Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:
a) het volgende lid wordt ingevoegd:
„1 bis. Lid 1 is eveneens van toepassing op de in bijlage V opgesomde opleidingstitels van architect indien de opleiding is aangevangen vóór 18 januari 2016.”;
b) het volgende lid wordt toegevoegd:
„3. Elke lidstaat verbindt op zijn grondgebied aan de volgende opleidingstitel wat de toegang tot en uitoefening van de betrokken beroepswerkzaamheden betreft, dezelfde gevolgen als aan de opleidingstitels die door deze lidstaat zelf worden afgegeven: opleidingstitel na afsluiting van de driejarige opleiding aan de „Fachhochschulen” van de Bondsrepubliek Duitsland die sinds 5 augustus 1985 bestaat en niet later dan 17 januari 2014 is aangevangen, voldoet aan de eisen van artikel 46, lid 2, en in die lidstaat toegang geeft tot de in artikel 48 bedoelde werkzaamheden onder de beroepstitel van architect, voor zover deze opleiding wordt aangevuld met een periode van beroepservaring van vier jaar in de Bondsrepubliek Duitsland, waarvan het bewijs wordt geleverd door een certificaat dat is afgegeven door de bevoegde autoriteit waarbij de architect die voor de bepalingen van deze richtlijn in aanmerking wil komen, op de ledenlijst is ingeschreven.”.
38) In titel III wordt het volgende hoofdstuk ingevoegd:
„Hoofdstuk III bis
Automatische erkenning op basis van gemeenschappelijke opleidingsbeginselen
Artikel 49 bis
Gemeenschappelijk opleidingskader
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een „gemeenschappelijk opleidingskader” verstaan een voor de uitoefening van een specifiek beroep vereist gemeenschappelijk geheel van minimumkennis, vaardigheden en competenties. Een gemeenschappelijk opleidingskader komt niet in de plaats van nationale opleidingsprogramma’s, tenzij een lidstaat op grond van het nationale recht anders bepaalt. Met het oog op de toegang tot en de uitoefening van een beroep in lidstaten waar dat beroep gereglementeerd is, verbindt een lidstaat op zijn grondgebied aan de op basis van een dergelijk opleidingskader verworven opleidingstitels dezelfde gevolgen als aan de opleidingstitels die door deze lidstaat zelf worden afgegeven, voor zover dit opleidingskader aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarden voldoet.
2. Een gemeenschappelijk opleidingskader voldoet aan de volgende voorwaarden:
a) het gemeenschappelijk opleidingskader maakt een grotere mobiliteit van beroepsbeoefenaren tussen de lidstaten mogelijk;
b) het beroep waarop het gemeenschappelijk opleidingskader van toepassing is, is gereglementeerd of de opleiding die toegang verleent tot het beroep is gereglementeerd in ten minste een derde van de lidstaten;
c) het gemeenschappelijk geheel van kennis, vaardigheden en competenties verenigt de in de onderwijs- en opleidingsstelsels van ten minste een derde van de lidstaten vereiste kennis, vaardigheden en competenties; het komt er niet op aan of de betrokken kennis, vaardigheden en competenties in het kader van een algemene opleiding aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs dan wel in het kader van een beroepsopleiding in de lidstaten zijn verworven;
d) het gemeenschappelijk opleidingskader is gebaseerd op de kwalificatieniveaus van het Europees kwalificatiekader, zoals vastgelegd in bijlage II van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren (*4);
e) het betrokken beroep valt onder geen ander gemeenschappelijk opleidingskader en valt evenmin onder de automatische erkenning krachtens titel III, hoofdstuk III;
f) het gemeenschappelijk opleidingskader is vastgesteld na een transparante procedure, met betrokkenheid van de desbetreffende belanghebbenden uit lidstaten waar het beroep niet is gereglementeerd;
g) het gemeenschappelijk opleidingskader biedt de onderdanen van alle lidstaten de mogelijkheid de beroepskwalificaties uit hoofde van dit kader te verwerven, zonder dat zij vooraf lid hoeven te zijn van een beroepsorganisatie of bij een dergelijke organisatie geregistreerd hoeven te zijn.
3. Representatieve beroepsorganisaties op het niveau van de Unie, alsook nationale beroepsorganisaties of bevoegde autoriteiten uit ten minste een derde van de lidstaten kunnen de Commissie voorstellen voorleggen voor gemeenschappelijke opleidingskaders die aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarden voldoen.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen om een gemeenschappelijk opleidingskader voor een bepaald beroep vast te stellen op basis van de in lid 2 van dit artikel vastgestelde voorwaarden.
5. Een lidstaat wordt vrijgesteld van de verplichting om op zijn grondgebied het in lid 4 bedoelde gemeenschappelijk opleidingskader vast te stellen, alsook van de verplichting om automatische erkenning aan uit hoofde van dit gemeenschappelijk opleidingskader verworven beroepskwalificaties te verlenen, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
a) op zijn grondgebied zijn er geen onderwijs- of opleidingsinstellingen die een dergelijke opleiding voor het betrokken beroep aanbieden;
b) de invoering van het gemeenschappelijk opleidingskader zou nadelige gevolgen hebben voor de organisatie van zijn onderwijs- en opleidingsstelsel;
c) tussen het gemeenschappelijk opleidingskader en de opleiding die op zijn grondgebied vereist is, zijn er wezenlijke verschillen die ernstige risico’s inhouden voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de veiligheid van de afnemers van de diensten of de bescherming van het milieu.
6. De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handeling in kennis van:
a) de nationale beroepskwalificaties en, indien van toepassing, de nationale beroepstitels die aan het gemeenschappelijk opleidingskader voldoen; of
b) het eventuele gebruik van de in lid 5 bedoelde vrijstelling, met een motivering die aantoont aan welke in dat lid genoemde voorwaarden is voldaan. Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat niet of onvoldoende heeft aangetoond dat aan een van deze voorwaarden is voldaan, kan zij binnen vier maanden om nadere verduidelijking vragen. De lidstaat geeft binnen drie maanden na die vraag tot verduidelijking antwoord.
De Commissie kan een uitvoeringshandeling vaststellen om een lijst op te maken van de nationale beroepskwalificaties en de nationale beroepstitels die krachtens het overeenkomstig lid 4 vastgestelde gemeenschappelijk opleidingskader automatisch erkend worden.
7. Dit artikel is ook van toepassing op specialismen van een beroep, mits deze specialismen beroepswerkzaamheden betreffen waartoe de toegang of waarvan de uitoefening in de lidstaten gereglementeerd is, indien het beroep reeds krachtens titel III, hoofdstuk III, automatisch erkend wordt maar het specialisme in kwestie niet.
Artikel 49 ter
Gemeenschappelijke opleidingsproeven
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een gemeenschappelijke opleidingsproef verstaan een gestandaardiseerde proeve van bekwaamheid die in alle deelnemende lidstaten beschikbaar is en voorbehouden is voor houders van bepaalde beroepskwalificaties. Een dergelijke met goed gevolg in een lidstaat afgelegde proef geeft de houder van een bepaalde beroepskwalificatie het recht het beroep in om het even welke ontvangende lidstaat uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als de houders van in die lidstaat verworven beroepskwalificaties.
2. De gemeenschappelijke opleidingsproef voldoet aan de volgende voorwaarden:
a) de gemeenschappelijke opleidingsproef maakt een grotere mobiliteit van beroepsbeoefenaren tussen de lidstaten mogelijk;
b) het beroep waarop de gemeenschappelijke opleidingsproef van toepassing is, is gereglementeerd, of de opleiding die toegang verleent tot het betrokken beroep is in ten minste een derde van de lidstaten gereglementeerd;
c) de gemeenschappelijke opleidingsproef is vastgesteld na een transparante procedure, met betrokkenheid van de desbetreffende belanghebbenden uit lidstaten waar het beroep niet is gereglementeerd;
d) de gemeenschappelijke opleidingsproef biedt onderdanen van alle lidstaten de mogelijkheid om aan dergelijke proeven deel te nemen en dergelijke proeven te organiseren, zonder dat zij vooraf lid hoeven te zijn van een beroepsorganisatie of bij een dergelijke organisatie geregistreerd hoeven te zijn.
3. Representatieve beroepsorganisaties op Unieniveau, alsook nationale beroepsorganisaties of bevoegde instanties uit ten minste een derde van de lidstaten kunnen de Commissie voorstellen voorleggen voor gemeenschappelijke opleidingsproeven die aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarden voldoen.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 57 quater gedelegeerde handelingen vast te stellen om de inhoud van een gemeenschappelijke opleidingsproef en de voorwaarden voor het afleggen van en het slagen voor de proeven vast te stellen.
5. Een lidstaat wordt vrijgesteld van de verplichting om op zijn grondgebied de in lid 4 bedoelde gemeenschappelijke opleidingsproeven te organiseren, alsook van de verplichting om automatische erkenning te verlenen aan beroepsbeoefenaren die voor de gemeenschappelijke opleidingsproef zijn geslaagd, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
a) het betrokken beroep is op zijn grondgebied niet gereglementeerd;
b) de inhoud van de gemeenschappelijke opleidingsproef beperkt in onvoldoende mate ernstige risico’s voor de volksgezondheid of de veiligheid van de afnemers van de diensten die op zijn grondgebied van belang zijn;
c) de inhoud van de gemeenschappelijke opleidingsproef zou de toegang tot het beroep aanzienlijk minder aantrekkelijk maken in vergelijking met de nationale eisen.
6. De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handeling in kennis van:
a) de beschikbare capaciteit voor het organiseren van dergelijke proeven; of
b) elk gebruik van de in lid 5 bedoelde vrijstelling, met een motivering die aantoont aan welke in dat lid genoemde voorwaarden is voldaan. Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat niet of onvoldoende heeft aangetoond dat aan een van deze voorwaarden is voldaan, kan zij binnen drie maanden om nadere verduidelijking vragen. De lidstaat geeft binnen drie maanden na die vraag tot verduidelijking antwoord.
De Commissie kan een uitvoeringshandeling vaststellen om een lijst op te maken van de lidstaten waar de overeenkomstig lid 4 goedgekeurde gemeenschappelijke opleidingsproeven zullen worden georganiseerd, van de frequentie in een kalenderjaar en andere regelingen die nodig zijn voor het organiseren van gemeenschappelijke opleidingsproeven in alle lidstaten.
(*4) PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.”."
39) In artikel 50 worden de volgende leden ingevoegd:
„3 bis. In geval van gegronde twijfel kan de ontvangende lidstaat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat om een bevestiging verzoeken dat de aanvrager geen tijdelijk of permanent verbod heeft tot beroepsuitoefening als gevolg van ernstige beroepsfouten of strafrechtelijke veroordelingen die betrekking hebben op de uitoefening van een van zijn beroepsactiviteiten.
3 ter. Uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten krachtens dit artikel vindt plaats via het Informatiesysteem interne markt (IMI).”.
40) In artikel 52 wordt het volgende lid toegevoegd:
„3. Een lidstaat mag het voeren van de beroepstitel niet voorbehouden aan de houders van de beroepskwalificaties indien deze lidstaat heeft nagelaten de Commissie en de andere lidstaten overeenkomstig artikel 3, lid 2, in kennis te stellen van de vereniging of organisatie.”.
41) Artikel 53 wordt vervangen door
„Artikel 53
Talenkennis
1. De beroepsbeoefenaren die erkenning van beroepskwalificaties hebben verkregen, dienen te beschikken over de talenkennis die voor de uitoefening van hun beroep in de ontvangende lidstaat vereist is.
2. De lidstaten zien erop toe dat eventuele controles die worden uitgevoerd door of onder toezicht van een voor de controle op de naleving van de verplichting uit hoofde van lid 1 bevoegde autoriteit beperkt blijven tot de kennis van één officiële taal van de ontvangende lidstaat, of tot één administratieve taal van de ontvangende lidstaat mits deze ook een officiële taal van de Unie is.
3. Overeenkomstig lid 2 uitgevoerde controles mogen worden opgelegd indien het uit te oefenen beroep implicaties voor de veiligheid van de patiënt heeft. Ten aanzien van andere beroepen mogen controles worden opgelegd in gevallen waar er ernstige en concrete twijfel over bestaat of de beroepsbeoefenaar over voldoende talenkennis beschikt voor de beroepswerkzaamheden die hij wil uitoefenen.
Er mogen slechts controles worden uitgevoerd na de afgifte van een Europese beroepskaart overeenkomstig lid 4 quinquies of, in voorkomend geval, na de erkenning van een beroepskwalificatie.
4. Elke controle van talenkennis dient evenredig te zijn met de uit te oefenen activiteit. De beroepsbeoefenaar kan tegen deze taalcontrole beroep aantekenen krachtens het nationale recht.”.
42) In titel IV wordt het volgende artikel ingevoegd:
„Artikel 55 bis
Erkenning van beroepsstages
1. Indien de voor toegang tot een gereglementeerd beroep in de lidstaat van oorsprong een beroepsstage moet worden volbracht, erkent de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong, wanneer zij een verzoek om toelating om het gereglementeerde beroep uit te oefenen, in overweging neemt, beroepsstages die in een andere lidstaat gevolgd zijn, mits de stage in overeenstemming is met de in lid 2 bedoelde gepubliceerde richtsnoeren, en houdt zij rekening met een in een derde land gevolgde beroepsstage. De lidstaten mogen evenwel de duur van het deel van de beroepsstage die in het buitenland mag worden gevolgd, krachtens hun nationale wetgeving tot een redelijke periode beperken.
2. De erkenning van de beroepsstage komt niet in de plaats van het afleggen van een eventuele voor de toegang tot het beroep in kwestie vereiste proef. De bevoegde autoriteiten publiceren richtsnoeren voor de organisatie en de erkenning van beroepsstages die in een andere lidstaat of in een derde land worden gevolgd, met name betreffende de rol van de supervisor van de beroepsstage.”.
43) De titel van titel V wordt vervangen door:
„TITEL V
ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING EN VERANTWOORDELIJKHEID TEN AANZIEN VAN DE BURGER BIJ DE UITVOERING ”.
44) Artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:
„2. De bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat en van de lidstaat van oorsprong wisselen informatie uit over genomen tuchtrechtelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties en over alle andere specifieke ernstige feiten die van invloed kunnen zijn op de uitoefening van werkzaamheden in het kader van deze richtlijn. Daarbij nemen zij de wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens in Richtlijn 95/46/EG en Richtlijn 2002/58/EG in acht.”;
b) het volgende lid wordt ingevoegd:
„2 bis. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 gebruiken de bevoegde autoriteiten het IMI”;
c) lid 4 wordt vervangen door:
„4. Elke lidstaat wijst een coördinator voor de werkzaamheden van de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteiten aan en stelt de andere lidstaten en de Commissie hiervan in kennis.
De coördinator heeft de volgende taken:
a) een éénvormige toepassing van deze richtlijn bevorderen;
b) alle informatie verzamelen die voor de toepassing van deze richtlijn van nut is, zoals informatie over de toegangsvoorwaarden voor gereglementeerde beroepen in de lidstaten;
c) suggesties voor gemeenschappelijke opleidingskaders en gemeenschappelijke opleidingsproeven onderzoeken;
d) informatie en beste praktijken uitwisselen teneinde de permanente professionele ontwikkeling in de lidstaten te optimaliseren;
e) informatie en beste praktijken uitwisselen over de toepassing van de in artikel 14 bedoelde compenserende maatregelen.
Voor de uitvoering van de onder b) van dit lid bedoelde taak kan de coördinator een beroep doen op de in artikel 57 ter bedoelde assistentiecentra.”.
45) Het volgende artikel wordt ingevoegd:
„Artikel 56 bis
Waarschuwingsmechanisme
1. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat brengen de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten op de hoogte van een beroepsbeoefenaar die van een nationale overheid of rechtbank een beperking of verbod, ook tijdelijk, gekregen heeft op het uitoefenen van de volgende beroepsactiviteiten of een gedeelte daarvan:
a) arts en huisarts, houder van een in bijlage V, punten 5.1.1 en 5.1.4, bedoelde opleidingstitel;
b) medisch specialist, houder van een in bijlage V, punt 5.1.3, bedoelde titel;
c) verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, houder van een in bijlage V, punt 5.2.2, bedoelde opleidingstitel;
d) beoefenaar der tandheelkunde, houder van een in bijlage V, punt 5.3.2, bedoelde opleidingstitel;
e) gespecialiseerd beoefenaar der tandheelkunde, houder van een in bijlage V, punt 5.3.3, bedoelde opleidingstitel;
f) dierenarts, houder van een in bijlage V, punt 5.4.2, bedoelde opleidingstitel;
g) verloskundige, houder van een in bijlage V, punt 5.5.2, bedoelde opleidingstitel;
h) apotheker, houder van een in bijlage V, punt 5.6.2, bedoelde opleidingstitel;
i) houders van een in bijlage VII, punt 2, vermeld certificaat ten bewijze dat de houder een opleiding heeft afgerond die aan de minimumopleidingseisen in de artikelen 24, 25, 31, 34, 35, 38, 40, of 44 voldoet, maar is aangevat vóór de in bijlage V, punten 5.1.3, 5.1.4, 5.2.2, 5.3.2, 5.3.3, 5.4.2, 5.5.2 en 5.6.2, vermelde referentiedata;
j) houders van een certificaat van verworven rechten als bedoeld in de artikelen 23, 27, 29, 33, 33 bis, 37, 43 en 43 bis;
k) andere beroepsbeoefenaren die activiteiten met implicaties voor de veiligheid van patiënten uitoefenen, indien de beroepsbeoefenaar een beroep uitoefent dat in die lidstaat gereglementeerd is;
l) beroepsbeoefenaren die activiteiten uitoefenen in verband met de opvoeding van minderjarigen, ook in de kinderopvang en het voor- en vroegschoolse onderwijs, indien de beroepsbeoefenaar een beroep uitoefent dat in die lidstaat gereglementeerd is.
2. De bevoegde autoriteiten zenden de in lid 1 bedoelde informatie door middel van een waarschuwing via het IMI binnen drie dagen na het nemen van het besluit dat de betrokken beroepsbeoefenaar een verbod of beperking op het uitoefenen van de beroepsactiviteit of een gedeelte daarvan oplegt, toe. Deze informatie blijft beperkt tot het volgende:
a) de identiteit van de beroepsbeoefenaar;
b) het betreffende beroep;
c) informatie over de nationale autoriteit of rechtbank die het besluit tot beperking of verbod heeft genomen;
d) de reikwijdte van de beperking of het verbod; en
e) de periode gedurende welke de beperking of het verbod van kracht is.
3. De bevoegde autoriteiten van een betrokken lidstaat stellen de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten binnen drie dagen nadat de rechtbank het besluit heeft genomen, door middel van een waarschuwing via het IMI in kennis van de identiteit van beroepsbeoefenaren die krachtens deze richtlijn een aanvraag tot erkenning van een kwalificatie hebben ingediend en die daarna in dit verband door een rechtbank schuldig zijn bevonden aan het gebruik van valse opleidingstitels.
4. De verwerking van persoonsgegevens met het oog op het uitwisselen van informatie als bedoeld in de leden 1 en 3 vindt plaats overeenkomstig de Richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG. De verwerking van persoonsgegevens door de Commissie gebeurt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001.
5. De bevoegde autoriteiten van alle lidstaten worden onverwijld in kennis gesteld wanneer een verbod of beperking als bedoeld in lid 1 afloopt. Daartoe moet de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de informatie overeenkomstig lid 1 verstrekt, zowel de einddatum als een eventuele wijziging daarvan meedelen.
6. De lidstaten bepalen dat de beroepsbeoefenaar over wie een waarschuwing naar de andere lidstaten wordt verzonden, op het zelfde ogenblik als de waarschuwing zelf schriftelijk in kennis gesteld wordt van het waarschuwingsbesluit en tegen dit besluit overeenkomstig het nationale recht beroep kan aantekenen of een verzoek om rectificatie van het besluit kan indienen en toegang heeft tot rechtsmiddelen met betrekking tot alle schade die door een onjuiste waarschuwing van andere lidstaten is toegebracht; in deze gevallen wordt het besluit over de waarschuwing aangevuld met de verwijzing dat de beroepsbeoefenaar er een procedure tegen heeft ingeleid.
7. Gegevens met betrekking tot waarschuwingen mogen slechts in het IMI worden verwerkt zolang zij van kracht zijn. Waarschuwingen worden binnen drie dagen nadat het besluit tot intrekking is genomen of zodra het verbod of de beperking als bedoeld in lid 1 afloopt, gewist.
8. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast voor de toepassing van het waarschuwingsmechanisme. Die uitvoeringshandelingen omvatten bepalingen betreffende de voor het verzenden of ontvangen van waarschuwingen bevoegde autoriteiten en het beëindigen of intrekken van waarschuwingen, en maatregelen om de gegevensbeveiliging te verzekeren. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”.
46) Artikel 57 wordt vervangen door:
„Artikel 57
Centrale online toegang tot informatie
1. De lidstaten zien erop toe dat onderstaande informatie online beschikbaar is via de één-loketten als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (*5), en regelmatig wordt bijgewerkt:
a) een lijst van alle gereglementeerde beroepen in de lidstaat, met inbegrip van de contactgegevens van de voor elk gereglementeerd beroep bevoegde autoriteiten en de in artikel 57 ter bedoelde assistentiecentra;
b) een lijst van de beroepen waarvoor een Europese beroepskaart beschikbaar is, de werking van die kaart, met inbegrip van alle kosten die daaraan voor de beroepsbeoefenaren verbonden zijn, en de bevoegde autoriteiten die ze afgeven;
c) een lijst van alle beroepen waarvoor de lidstaat artikel 7, lid 4, toepast krachtens de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen;
d) een lijst van de gereglementeerde opleidingen en opleidingen met een bijzondere structuur als bedoeld in artikel 11, onder c), ii);
e) de in de artikelen 7, 50, 51 en 53 bedoelde vereisten en procedures voor de in de lidstaat gereglementeerde beroepen, met inbegrip van alle kosten die daaraan voor de burgers verbonden zijn en de documenten die deze bij de bevoegde autoriteiten moeten indienen;
f) hoe volgens de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen beroep kan worden aangetekend tegen een krachtens deze richtlijn genomen besluit van een bevoegde autoriteit.
2. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde informatie op een voor de gebruikers duidelijke en grondige manier wordt verstrekt, gemakkelijk op afstand en met elektronische middelen toegankelijk is en bijgewerkt wordt.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat elk verzoek om informatie gericht aan het één-loket zo spoedig mogelijk wordt beantwoordt.
4. De lidstaten en de Commissie stellen begeleidende maatregelen vast om de één-loketten ertoe aan te moedigen de in lid 1 bedoelde informatie in andere officiële talen van de Unie beschikbaar te stellen. Dit laat de wetgeving van lidstaten inzake het gebruik van talen op hun grondgebied onverlet.
5. De lidstaten werken met elkaar en met de Commissie samen ten behoeve van de uitvoering van de leden 1, 2 en 4.
(*5) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.”."
47) De volgende artikelen worden ingevoegd:
„Artikel 57 bis
Elektronische procedures
1. De lidstaten zorgen ervoor dat alles wat betrekking heeft op vereisten, procedures en formaliteiten inzake aangelegenheden die onder deze richtlijn vallen, eenvoudig, op afstand en met elektronische middelen via het betrokken één-loket of de betrokken bevoegde autoriteiten kan worden afgewikkeld. Dit belet de bevoegde autoriteiten van de lidstaten niet om in een latere fase voor eensluidend gewaarmerkte afschriften te vragen indien zij gegronde twijfels hebben en indien dit strikt noodzakelijk is.
2. Lid 1 is niet van toepassing op het uitvoeren van een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid.
3. Wanneer het gerechtvaardigd is dat de lidstaten voor de afhandeling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde procedures geavanceerde elektronische handtekeningen als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (*6) verlangen, aanvaarden de lidstaten elektronische handtekeningen overeenkomstig Beschikking 2009/767/EG van de Commissie van 16 oktober 2009 inzake maatregelen voor een gemakkelijker gebruik van elektronische procedures via het één-loket in het kader van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt (*7) en voorzien zij in technologische maatregelen om de bij Besluit 2011/130/EU van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de grensoverschrijdende verwerking van documenten die door de bevoegde autoriteiten elektronisch zijn ondertekend krachtens Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt (*8) vastgestelde formats voor geavanceerde e-handtekeningen te verwerken.
4. Alle procedures worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van Richtlijn 2006/123/EG met betrekking tot de één-loketten. De in artikel 7, lid 4, en artikel 51 van deze richtlijn vastgestelde proceduretermijnen beginnen te lopen op het moment waarop een burger een aanvraag of eventuele ontbrekende documenten bij een één-loket of rechtstreeks bij de desbetreffende bevoegde autoriteit indient. Een verzoek om voor eensluidend gewaarmerkte afschriften als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt niet als een verzoek om ontbrekende documenten beschouwd.
Artikel 57 ter
Assistentiecentra
1. Elke lidstaat wijst uiterlijk op 18 januari 2016 een assistentiecentrum aan dat tot taak heeft de burger alsook de assistentiecentra van de andere lidstaten bij te staan in verband met de erkenning van beroepskwalificaties overeenkomstig deze richtlijn, onder meer met informatie over de nationale wetgeving inzake beroepen en de uitoefening hiervan, de sociale wetgeving en, in voorkomend geval, de beroepsregels.
2. De assistentiecentra in de ontvangende lidstaten ondersteunen de burgers bij de uitoefening van de krachtens deze richtlijn verleende rechten, onder meer, in voorkomend geval, door samenwerking met het assistentiecentrum in de lidstaat van oorsprong en met de bevoegde autoriteiten en de één-loketten in de ontvangende lidstaat.
3. Alle bevoegde autoriteiten in de lidstaat van oorsprong of de ontvangende lidstaat werken ten volle samen met het assistentiecentrum in de ontvangende lidstaat en, in voorkomend geval, in de lidstaat van oorsprong, en verstrekken deze assistentie centrale relevante informatie over individuele gevallen indien zij daarom verzoeken en met inachtneming van de gegevensbeschermingsregels van Richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG.
4. De assistentiecentra stellen de Commissie op haar verzoek binnen twee maanden na ontvangst van dit verzoek in kennis van de onderzoeken die zij in behandeling hebben.
Artikel 57 quater
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 3, lid 2, derde alinea, artikel 20, artikel 21, lid 6, tweede alinea, artikel 21 bis, lid 4, artikel 25, lid 5, artikel 26, tweede alinea, artikel 31, lid 2, tweede alinea, artikel 34, lid 2, tweede alinea, artikel 35, leden 4 en 5, artikel 38, lid 1, tweede alinea, artikel 40, lid 1, derde alinea, artikel 44, lid 2, tweede alinea, artikel 49 bis, lid 4, en artikel 49 ter, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 17 januari 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, derde alinea, artikel 20, artikel 21, lid 6, tweede alinea, artikel 21 bis, lid 4, artikel 25, lid 5, artikel 26, tweede alinea, artikel 31, lid 2, tweede alinea, artikel 34, lid 2, tweede alinea, artikel 35, leden 4 en 5, artikel 38, lid 1, tweede alinea, artikel 40, lid 1, derde alinea, artikel 44, lid 2, tweede alinea, artikel 49 bis, lid 4, en artikel 49 ter, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdige kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5. Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, derde alinea, artikel 20, artikel 21, lid 6, tweede alinea, artikel 21 bis, lid 4, artikel 25, lid 5, artikel 26, tweede alinea, artikel 31, lid 2, tweede alinea, artikel 34, lid 2, tweede alinea, artikel 35, leden 4 en 5, artikel 38, lid 1, tweede alinea, artikel 40, lid 1, derde alinea, artikel 44, lid 2, tweede alinea, artikel 49 bis, lid 4, en artikel 49 ter, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
(*6) PB L 13 van 19.1.2000, blz. 12."
(*7) PB L 274 van 20.10.2009, blz. 36."
(*8) PB L 53 van 26.2.2011, blz. 66.”."
48) Artikel 58 wordt vervangen door:
„Artikel 58
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door een Comité voor de erkenning van beroepskwalificaties. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.”.
49) Artikel 59 wordt vervangen door:
„Artikel 59
Transparantie
1. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 18 januari 2016 in kennis van een lijst van de bestaande gereglementeerde beroepen, met vermelding van de activiteiten die onder elk beroep vallen, en een lijst van de gereglementeerde opleidingen en de opleidingen met een bijzondere structuur als bedoeld in artikel 11, onder c), ii), op hun grondgebied. Elke wijziging in die lijsten wordt onverwijld meegedeeld aan de Commissie. De Commissie ontwikkelt en onderhoudt een voor het publiek toegankelijke databank met gereglementeerde beroepen, inclusief een algemene omschrijving van de activiteiten die onder elk beroep vallen.
2. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 18 januari 2016 in kennis van de lijst van de beroepen waarvoor een voorafgaande controle van de kwalificaties krachtens artikel 7, lid 4, noodzakelijk is. De lidstaten verstrekken de Commissie voor elk beroep afzonderlijk een motivering voor de opname ervan in die lijst.
3. De lidstaten onderzoeken of de eisen in hun nationale rechtsorde die de toegang tot of de uitoefening van een bepaald beroep beperken tot de houders van bepaalde beroepskwalificaties, inclusief het voeren van beroepstitels en de beroepsactiviteiten die de titel toelaat, in dit artikel „eisen” genoemd, verenigbaar zijn met de volgende beginselen:
a) de eisen zijn direct noch indirect discriminerend op grond van nationaliteit of verblijfplaats;
b) de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
c) de eisen zijn aangepast aan het bereiken van het beoogde doel en gaan niet verder dan wat nodig is om dat doel te bereiken.
4. Lid 1 is ook van toepassing op beroepen die in een lidstaat gereglementeerd zijn door een vereniging of organisatie in de zin van artikel 3, lid 2, en op alle eisen met betrekking tot lidmaatschap van die verenigingen of organisaties.
5. Uiterlijk op 18 januari 2016 verstrekken de lidstaten de Commissie informatie over de eisen die ze willen handhaven en de redenen waarom die eisen volgens hen in overeenstemming zijn met lid 3. De lidstaten verstrekken binnen zes maanden na de vaststelling van de maatregel informatie over de eisen die ze nadien hebben ingevoerd en de redenen waarom deze eisen volgens hen in overeenstemming zijn met lid 3.
6. Uiterlijk op 18 januari 2016 en vervolgens om de twee jaar brengen de lidstaten eveneens aan de Commissie verslag uit over de eisen die zijn ingetrokken of versoepeld.
7. De Commissie stuurt de in lid 6 bedoelde verslagen door naar de andere lidstaten, die hun opmerkingen binnen zes maanden indienen. Binnen dezelfde termijn van zes maanden raadpleegt de Commissie de belanghebbenden, inclusief de betrokken beroepen.
8. De Commissie maakt een samenvattend verslag van de door de lidstaten verstrekte informatie voor de groep van coördinatoren ingesteld bij Besluit 2007/172/EG van de Commissie van 19 maart 2007 tot oprichting van de Groep van coördinatoren voor de erkenning van beroepskwalificaties (*9), die opmerkingen kan maken.
9. In het licht van de in de leden 7 en 8 bedoelde opmerkingen legt de Commissie uiterlijk op 18 januari 2017 haar definitieve bevindingen voor aan het Europees Parlement en de Raad, eventueel vergezeld van voorstellen voor verdere initiatieven.
(*9) PB L 79 van 20.3.2007, blz. 38.”."
50) Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:
a) aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:
„Vanaf 18 januari 2016 bevat het in de eerste alinea bedoelde statistisch overzicht van de genomen besluiten gedetailleerde informatie over het aantal en de soorten besluiten die krachtens deze richtlijn zijn genomen, met inbegrip van de soorten besluiten over gedeeltelijke toegang die overeenkomstig artikel 4 septies door de bevoegde autoriteiten zijn genomen en een beschrijving van de voornaamste problemen die uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeien.”;
b) lid 2 wordt vervangen door:
„2. Uiterlijk op 18 januari 2019 en vervolgens om de vijf jaar publiceert de Commissie een verslag over de uitvoering van deze richtlijn.
In het eerste van die verslagen wordt vooral aandacht besteed aan de nieuwe elementen in deze richtlijn en wordt met name het volgende bekeken:
a) de werking van de Europese beroepskaart;
b) de modernisering van de kennis, vaardigheden en competenties voor de beroepen die onder titel III, hoofdstuk III, vallen, met inbegrip van de in artikel 31, lid 7, bedoelde lijst van competenties;
c) de werking van de gemeenschappelijke opleidingskaders en de gemeenschappelijke opleidingsproeven onderzoeken;
d) de resultaten van het krachtens Roemeense wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vastgestelde speciale moderniseringsprogramma voor houders van de in artikel 33 bis genoemde opleidingstitels en houders van postsecundaire opleidingstitels, teneinde te beoordelen of de huidige bepalingen betreffende het stelsel van verworven rechten dat op de Roemeense opleidingstitel van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger van toepassing is, aan herziening toe is.
De lidstaten verstrekken alle nodige informatie voor de opstelling van dat verslag.”.
51) In artikel 61 wordt het tweede lid vervangen door:
„In voorkomend geval stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast om de betrokken lidstaat toe te staan gedurende een bepaalde periode af te wijken van de toepassing van de desbetreffende bepaling.”.
52) De bijlagen II en III worden geschrapt.
53) In punt 1 van bijlage VII wordt de volgende letter toegevoegd:
„g)