Art. 4 Richtlijn 2013/36/EU, Aanwijzing en bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten
1. De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die de in deze richtlijn en in Verordening (EU) nr. 575/2013 omschreven functies en taken vervullen. Zij stellen de Commissie en de EBA daarvan in kennis, onder vermelding van een eventuele functie- of taakverdeling.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de werkzaamheden van instellingen en, indien van toepassing, van financiële holdings en gemengde financiële holdings, controleren om na te gaan of deze de vereisten van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 in acht nemen.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat passende maatregelen zijn getroffen opdat de bevoegde autoriteiten de informatie kunnen verkrijgen die nodig is om na te gaan of de instellingen en, indien van toepassing, financiële holdings en gemengde financiële holdings de in lid 2 bedoelde vereisten nakomen, en opdat zij eventuele inbreuken op deze vereisten kunnen onderzoeken.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de deskundigheid, de middelen, de operationele capaciteit, bevoegdheden en de onafhankelijkheid beschikken die noodzakelijk zijn om de taken met betrekking tot prudentieel toezichts, onderzoeken en sancties die in deze richtlijn en in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgelegd, te vervullen.
5. De lidstaten schrijven voor dat de instellingen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst alle gegevens verstrekken die deze nodig hebben om na te gaan of de instellingen zich houden aan de voorschriften die uit hoofde van deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgesteld. De lidstaten zorgen er tevens voor dat de internecontrolemechanismen en de administratieve en boekhoudprocedures van de instellingen het mogelijk maken te allen tijde na te gaan of die voorschriften in acht worden genomen.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat de instellingen al hun onder deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 vallende transacties registreren en al hun systemen en processen documenteren op een wijze die de bevoegde autoriteiten in staat stelt te allen na te gaan of aan deze richtlijn en Verordening (EU) nr. 575/2013 is voldaan.
7. De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichttaken uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013 en enige andere taken van de bevoegde autoriteiten gescheiden en onafhankelijk zijn van de taken met betrekking tot afwikkeling. De lidstaten stellen de Commissie en de EBA daarvan in kennis, onder vermelding van een eventuele taakverdeling.
8. De lidstaten zorgen ervoor dat indien de bevoegdheid tot afwikkeling berust bij andere dan de bevoegde autoriteiten, die andere autoriteiten hun afwikkelingsplannen in nauwe samenwerking en in nauw overleg met de bevoegde autoriteiten opstellen.