Art. 18 Richtlijn 2013/36/EU, Intrekking van de vergunning
De bevoegde autoriteiten kunnen een vergunning die is verleend aan een kredietinstelling alleen intrekken indien deze kredietinstelling:
a) binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruik maakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of de werkzaamheden gedurende een periode van meer dan zes maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken lidstaat heeft bepaald dat in die gevallen de vergunning vervalt;
b) de vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;
c) niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;
d) niet meer voldoet aan de prudentiële vereisten als vastgelegd in de deel drie, vier of zes van Verordening (EU) nr. 575/2013 of de prudentiële vereisten als opgelegd krachtens artikel 104, lid 1, punt a), of artikel 105 van deze richtlijn of geen garantie meer biedt voor de nakoming van de verplichtingen tegenover schuldeisers en in het bijzonder niet meer de veiligheid van de haar door haar deposanten toevertrouwde gelden waarborgt;
e) in een van de overige gevallen van intrekking verkeert waarin de nationale voorschriften voorzien; of
f) een van de in artikel 67, lid 1, genoemde inbreuken begaat.