Art. 3 Verordening (EU) nr. 360/2012, Monitoring
1. Wanneer een lidstaat voornemens is op grond van deze verordening de-minimissteun aan een onderneming te verlenen, stelt deze de onderneming schriftelijk in kennis van het als bruto-subsidie-equivalent uitgedrukte voorgenomen steunbedrag, van de dienst van algemeen economisch belang ten behoeve waarvan die steun wordt verleend en van het feit dat het de-minimissteun betreft, met uitdrukkelijke verwijzing naar deze verordening en de titel en de vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Wanneer op grond van deze verordening in het kader van een regeling de-minimissteun wordt verleend aan verschillende ondernemingen en in het kader van deze regeling aan die ondernemingen uiteenlopende bedragen aan individuele steun worden verleend, kan de betrokken lidstaat ervoor kiezen deze verplichting te vervullen door de ondernemingen een vast bedrag mee te delen dat met het in het kader van die regeling maximaal uit te keren steunbedrag overeenstemt. In dat geval wordt het vaste bedrag gebruikt om te bepalen of het in artikel 2, lid 2, vastgestelde plafond is bereikt. Alvorens de steun te verlenen, verlangt de lidstaat van de onderneming die de dienst van algemeen economisch belang verricht, een verklaring in schriftelijke of elektronische vorm over alle andere op grond van deze verordening of van andere de-minimisverordeningen gedurende de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar ontvangen de-minimissteun.
De lidstaat verleent nieuwe de-minimissteun op grond van deze verordening pas nadat hij zich ervan heeft vergewist dat dit het totale aan de betrokken onderneming aan de-minimissteun verleende bedrag niet zodanig doet toenemen dat het in artikel 2, lid 2, vastgestelde plafond wordt overschreden en dat de regels inzake cumulering van artikel 2, leden 6, 7 en 8, in acht worden genomen.
2. Wanneer een lidstaat een centraal register voor de-minimissteun heeft opgezet dat alle gegevens bevat over alle de-minimissteun welke door een overheid in die lidstaat is verstrekt aan ondernemingen die diensten van algemeen economisch belang verrichten, is de eerste alinea van lid 1 niet meer van toepassing vanaf het tijdstip waarop het register een periode van drie jaar bestrijkt.
3. De lidstaten leggen dossiers aan die alle gegevens bevatten met betrekking tot de toepassing van deze verordening. Deze dossiers bevatten alle gegevens die nodig zijn om te kunnen nagaan of de voorwaarden van deze verordening in acht zijn genomen. De dossiers betreffende individuele de-minimissteun worden gedurende tien belastingjaren vanaf het tijdstip van de steunverlening bewaard. Voor de-minimissteunregelingen worden de dossiers bewaard gedurende tien jaar te rekenen vanaf het tijdstip van de laatste individuele steunverlening op grond van die regeling. De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie op haar schriftelijk verzoek binnen 20 werkdagen, of binnen de langere termijn die de Commissie in haar verzoek kan vaststellen, alle gegevens die de Commissie nodig acht om te kunnen nagaan of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan, en met name om te kunnen vaststellen ten belope van welk totaalbedrag een onderneming op grond van deze verordening en van andere de-minimisverordeningen de-minimissteun heeft ontvangen.