Art. 24 Richtlijn 2012/27/EU, Toetsing van en toezicht op de uitvoering

Richtlijn 2012/27/EU

1. Met ingang van 2013 brengen de lidstaten, uiterlijk op 30 april van ieder jaar, verslag uit over de bereikte voortgang naar de nationale energie-efficiëntiestreefcijfers, in overeenstemming met deel 1 van bijlage XIV. Dit verslag kan deel uitmaken van de nationale hervormingsprogramma's, bedoeld in Aanbeveling 2010/410/EU van de Raad van 13 juli 2010 betreffende de globale richtsnoeren voor het economische beleid van de lidstaten en de Unie (28).

2. Uiterlijk op 30 april 2014, en vervolgens om de drie jaar, dienen de lidstaten een nationaal actieplan voor energie-efficiëntie in. De nationale actieplannen voor energie-efficiëntie omvatten maatregelen voor een significante verbetering van de energie-efficiëntie, de verwachte en/of bereikte energiebesparingen, onder andere bij de levering, het transport en de distributie van energie, en het eindenergieverbruik, teneinde de in artikel 3, lid 1, bedoelde nationale energie-efficiëntiestreefcijfers te halen. De nationale actieplannen voor energie-efficiëntie worden aangevuld met geactualiseerde schattingen van het verwachte algemene verbruik van primaire energie in 2020 en het geschatte niveau van het verbruik van primaire energie in de sectoren die zijn aangegeven in deel 1 van bijlage XIV.

De Commissie verstrekt uiterlijk op 31 december 2012 een model als leidraad voor de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie. Dat model wordt vastgesteld volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. De nationale actieplannen voor energie-efficiëntie omvatten in ieder geval de in bijlage XIV bedoelde gegevens.

3. De Commissie evalueert de jaarlijkse verslagen en de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie en beoordeelt de voortgang die de lidstaten hebben gemaakt naar de in artikel 3, lid 1, bedoelde nationale energie-efficiëntiestreefcijfers en met de uitvoering van deze richtlijn. De Commissie doet haar beoordeling aan het Europees Parlement en de Raad toekomen. Op basis van haar beoordeling van de verslagen en de nationale actieplannen voor energie-efficiëntie kan de Commissie aanbevelingen doen aan de lidstaten.

4. De Commissie volgt het effect van de uitvoering van deze richtlijn op de Richtlijnen 2003/87/EG, 2009/28/EG en 2010/31/EU en Beschikking nr. 406/2009/EG en in de bedrijfstakken, in het bijzonder die waar het CO2-weglekrisico aanzienlijk is, in de zin van Besluit 2010/2/EU.

5. De Commissie controleert voor het eerst bij de beoordeling van het eerste nationale actieplan voor energie-efficiëntie, en vervolgens om de drie jaar, of er nog behoefte is aan de in artikel 14, lid 6, bepaalde vrijstellingen. Indien uit deze controle blijkt dat een van de criteria voor de vrijstellingen niet meer te rechtvaardigen is, rekening houdend met de beschikbaarheid van warmtebelasting en met de werkelijke bedrijfsomstandigheden van de vrijgestelde installaties, stelt de Commissie passende maatregelen voor.

6. De lidstaten leggen jaarlijks vóór 30 april aan de Commissie statistieken voor over de nationale productie van elektriciteit en warmte uit hoog- en laagrenderende warmtekrachtkoppeling, in verhouding tot de totale warmte- en elektriciteitsproductie, berekend volgens de in bijlage I bepaalde methode. Zij leggen de Commissie jaarlijks tevens statistieken voor over het warmte- en elektriciteitsvermogen van warmtekrachtkoppeling en over de brandstoffen voor warmtekrachtkoppeling, alsook over de productie en het vermogen voor stadsverwarming en -koeling in verhouding tot de totale warmte- en elektriciteitsproductie en het totale warmte- en elektriciteitsvermogen. De lidstaten dienen voorts statistieken in over de besparing van primaire energie door warmtekrachtkoppeling in overeenstemming met de in bijlage II bepaalde methode.

7. Uiterlijk op 30 juni 2014 wordt de in artikel 3, lid 2, bedoelde beoordeling, in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen, door de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad ingediend.

8. De Commissie beoordeelt de efficiëntie van de uitvoering van artikel 6 uiterlijk 5 december 2015, met inachtneming van de in Richtlijn 2004/18/EG vastgelegde eisen, en legt een verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.

9. De Commissie legt uiterlijk op 30 juni 2016 aan het Europees Parlement en de Raad verslag voor over de uitvoering van artikel 7. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van één wetgevingsvoorstel dat strekt tot één of meer van de volgende doeleinden:

a) de in artikel 7, lid 1, vastgestelde einddatum te wijzigen;

b) de eisen van artikel 7, leden 1, 2 en 3, te herzien;

c) aanvullende gemeenschappelijke eisen op te leggen, in het bijzonder ten aanzien van het bepaalde in artikel 7, lid 7.

10. Uiterlijk op 30 juni 2018 beoordeelt de Commissie de voortgang van de lidstaten met het wegnemen van de in artikel 19, lid 1, bedoelde wettelijke en niet-wettelijke belemmeringen Deze beoordeling wordt indien nodig gevolgd door voorstellen voor verdere maatregelen.

11. De Commissie maakt de in lid 1 en 2 bedoelde verslagen openbaar.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen