Art. 1
1. Iedere onderdaan van een lidstaat, ongeacht zijn woonplaats, heeft het recht, op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid in loondienst te aanvaarden en te verrichten, overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die de tewerkstelling van de onderdanen van die staat regelen.
2. Op het gebied van een andere lidstaat geniet hij met name dezelfde voorrang ten aanzien van het aanvaarden van arbeid in loondienst als de onderdanen van deze staat.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4367
- Rb. Zeeland-West-Brabant 20 februari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1272
- ABRvS 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2788
- ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1452
- ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1439
- ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1438
- Rb. Zeeland-West-Brabant 18 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4696
- Rb. Zeeland-West-Brabant 18 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4695
- Rb. Zeeland-West-Brabant 5 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7516
- Rb. Rotterdam 9 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2319
- Rb. Noord-Nederland 16 januari 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:286