Art. 38 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011
1. Onder „vervoermiddelen” als bedoeld in artikel 56 en artikel 59, eerste alinea, onder g), van Richtlijn 2006/112/EG worden mede verstaan voertuigen, al dan niet gemotoriseerd, alsook ander materieel en andere toestellen bestemd voor het vervoer van personen of zaken van de ene naar een andere plaats, die door voertuigen kunnen worden getrokken, gesleept of geduwd en die gewoonlijk voor vervoer zijn ontworpen en daarvoor feitelijk kunnen worden gebruikt.
2. Onder de in lid 1 bedoelde vervoermiddelen worden in het bijzonder de volgende voertuigen verstaan:
a) landvoertuigen, zoals auto’s, motorfietsen, twee- en driewielers, en caravans;
b) aanhangwagens en opleggers;
c) treinwagons;
d) vaartuigen;
e) luchtvaartuigen;
f) voertuigen speciaal ontworpen voor het vervoer van zieken of gewonden;
g) landbouwtrekkers en andere landbouwvoertuigen;
h) mechanisch of elektronisch aangedreven invalidenwagens.
3. Voertuigen die bestemd zijn voor stationair gebruik en containers worden niet als in lid 1 bedoelde vervoermiddelen beschouwd.