Art. 10 Richtlijn 2011/36/EU, Rechtsmacht

Richtlijn 2011/36/EU

1. Een lidstaat neemt de nodige maatregelen om te voorzien in zijn rechtsmacht ten aanzien van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde strafbare feiten die:

a) geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied zijn gepleegd, of

b) zijn gepleegd door een eigen onderdaan.

2. Een lidstaat stelt de Commissie in kennis van zijn besluit om zijn rechtsmacht tevens te vestigen over strafbare feiten in de zin van de artikelen 2 en 3 die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd, onder meer indien het strafbare feit is gepleegd:

a) tegen een van zijn onderdanen of tegen een persoon die zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft op het grondgebied van die lidstaat;

b) ten voordele van een rechtspersoon die op zijn grondgebied is gevestigd, of

c) door iemand die zijn vaste woon- of verblijfplaats op zijn grondgebied heeft.

3. Iedere lidstaat moet in de in lid 1, onder b), bedoelde gevallen, en kan in de in lid 2 genoemde gevallen de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat, met het oog op de vervolging van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde strafbare feiten die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd, aan zijn rechtsmacht niet een van de volgende voorwaarden is verbonden:

a) de feiten zijn strafbaar op de plaats waar zij zijn gepleegd, of

b) vervolging kan slechts worden ingesteld indien het slachtoffer aangifte heeft gedaan op de plaats waar het strafbare feit is gepleegd of na een aanklacht door de staat waar het strafbare feit is gepleegd.