Art. 81 Verordening (EU) nr. 1095/2010, Evaluatie
Verordening (EU) nr. 1095/2010
1. Uiterlijk op 2 januari 2014 en vervolgens om de drie jaar publiceert de Commissie een algemeen verslag over de opgedane ervaring met de werkzaamheden van de Autoriteit en met de in deze verordening vastgestelde procedures. In dat verslag worden onder meer de volgende zaken beoordeeld:
a) de mate van convergentie in toezichtpraktijken die de bevoegde autoriteiten hebben bereikt;
i) de mate van convergentie in operationele onafhankelijkheid van de bevoegde autoriteiten en in normen die gelijkwaardig zijn aan corporate governance;
ii) de onpartijdigheid, objectiviteit en onafhankelijkheid van de Autoriteit;
b) de werking van de colleges van toezichthouders;
c) de geboekte vooruitgang met betrekking tot convergentie op gebieden als crisispreventie, -management en -afwikkeling, daaronder begrepen financieringsmechanismen van de Unie;
d) de rol van de Autoriteit wat systeemrisico’s betreft;
e) de toepassing van de bij artikel 38 ingestelde vrijwaringsclausule;
f) de toepassing van het bij artikel 19 ingestelde bindende bemiddelende optreden.
2. In het in lid 1 bedoelde verslag wordt ook onderzocht:
a) of het toezicht op bankwezen, verzekeringen en bedrijfspensioenen, effecten en financiële markten gescheiden moet blijven;
b) of het prudentieel toezicht en het toezicht op de gedragsregels moeten worden gecombineerd dan wel gescheiden;
c) of de architectuur van het ESFS moet worden vereenvoudigd en versterkt om de samenhang tussen het macro- en het microniveau en tussen de ESA’s te vergroten;
d) of de ontwikkeling van het ESFS gelijke tred houdt met de wereldwijde ontwikkeling;
e) of er binnen het ESFS voldoende diversiteit en topkwaliteit beschikbaar is;
f) of verantwoordingsplicht en transparantie met betrekking tot de publicatievoorschriften adequaat zijn;
g) of de middelen waarover de Autoriteit beschikt, berekend zijn op de uitvoering van haar taken;
h) of de vestigingsplaats van de Autoriteit behouden moet worden, of het passend is de ESA’s met het oog op een betere onderlinge coördinatie naar één vestigingsplaats over te brengen.
3. Met betrekking tot het rechtstreekse toezicht op instellingen of infrastructuren met een Europese reikwijdte stelt de Commissie, in het licht van de marktontwikkelingen, een jaarverslag op waarin zij beoordeelt of het passend is de Autoriteit ter zake meer toezichtverantwoordelijkheden toe te kennen.
4. Het verslag en, in voorkomend geval, eventuele begeleidende voorstellen worden bij het Europees Parlement en de Raad ingediend.