Art. 38 Richtlijn 2010/75/EU, Monitoring van de emissies in de lucht
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de monitoring van luchtverontreinigende stoffen plaatsvindt overeenkomstig deel 3 van bijlage V.
2. De installatie en de werking van de geautomatiseerde monitoringapparatuur zijn onderworpen aan controles en aan een jaarlijkse verificatietest zoals omschreven in deel 3 van bijlage V.
3. De bevoegde autoriteit bepaalt de plaats van de bemonsterings- of meetpunten voor de monitoring van de emissies.
4. Alle monitoringresultaten worden op zodanige wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd dat de bevoegde autoriteit kan controleren of de in de vergunning opgenomen exploitatievoorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd.