Art. 11 Richtlijn audiovisuele mediadiensten
Richtlijn 2010/13/EU (Richtlijn audiovisuele mediadiensten)
1. De leden 2, 3 en 4 zijn alleen van toepassing op programma’s gemaakt na 19 december 2009.
2. Productplaatsing is verboden.
3. In afwijking van lid 2 is productplaatsing in de volgende gevallen evenwel toegestaan, tenzij een lidstaat hierover anders besluit:
a) in cinematografische producties, voor audiovisuele mediadiensten gemaakte films en series, sportprogramma’s en lichte amusementsprogramma’s;
b) ten aanzien van bepaalde goederen of diensten die niet tegen betaling, maar uitsluitend gratis worden geleverd, zoals productiehulp en prijzen, met het oog op de opneming ervan in een programma.
De onder a) genoemde afwijking geldt niet voor kinderprogramma’s.
De programma’s die productplaatsing bevatten, voldoen ten minste aan alle volgende voorwaarden:
a) de inhoud en, in het geval van televisie-uitzendingen, de programmering ervan, mogen nimmer dusdanig worden beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;
b) zij sporen niet rechtstreeks aan tot aankoop of huur van goederen of diensten, in het bijzonder door specifieke aanprijzing van die producten of diensten;
c) het betrokken product krijgt geen overmatige aandacht;
d) de kijkers worden duidelijk gewezen op de aanwezigheid van productplaatsing. Programma’s die productplaatsing bevatten, worden aan het begin en het eind van het programma, alsook wanneer een programma na een reclamepauze wordt hervat, op passende wijze als zodanig aangeduid om verwarring bij de kijker te voorkomen.
De lidstaten mogen bij wijze van afwijking afzien van de onder d) genoemde vereisten op voorwaarde dat het betrokken programma niet is geproduceerd noch besteld door de aanbieder van mediadiensten zelf of door een aan de aanbieder van mediadiensten verbonden onderneming.
4. Programma’s mogen in geen geval productplaatsing bevatten voor:
a) tabaksproducten of sigaretten of productplaatsing van ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit in de productie of verkoop van sigaretten en andere tabaksproducten bestaat;
b) specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen die alleen op voorschrift beschikbaar zijn in de lidstaat onder de bevoegdheid waarvan de betrokken aanbieder van mediadiensten valt.