Art. 2 Verordening (EG) nr. 1099/2009, Definities

Verordening (EG) nr. 1099/2009

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a) „doden”: iedere bewust gebruikte methode die resulteert in de dood van een dier;

b) „daarmee verband houdende activiteiten”: activiteiten zoals het behandelen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen en verbloeden van dieren die worden verricht in de context van het doden van dieren op de locatie waar de dieren worden gedood;

c) „dier”: elk gewerveld dier, met uitzondering van amfibieën en reptielen;

d) „het doden van dieren in noodsituaties”: het doden van dieren die zodanig gewond of ziek zijn dat dit met ernstige pijn of ernstig lijden gepaard gaat, terwijl er geen andere praktische mogelijkheid is om die pijn of dat lijden te verlichten;

e) „onderbrengen”: het houden van dieren in stallen, hokken, overdekte plaatsen of weiden die verbonden zijn aan of deel uitmaken van slachthuisactiviteiten;

f) „bedwelmen”: iedere bewust gebruikte methode die een dier pijnloos in een staat van bewusteloosheid en gevoelloosheid brengt, met inbegrip van methoden die onmiddellijk de dood tot gevolg hebben;

g) „religieuze rite”: een reeks handelingen die verband houden met het slachten van dieren die voorgeschreven is door een godsdienst;

h) „culturele of sportieve evenementen”: evenementen die in wezen en hoofdzakelijk verband houden met lang gevestigde culturele tradities of sportieve activiteiten, bijvoorbeeld races en andere wedstrijdvormen, waarbij er geen sprake is van de productie van vlees of andere dierlijke producten of waarbij die productie slechts marginaal is in verhouding tot het evenement en ook niet economisch van belang is;

i) „standaardwerkwijzen”: een reeks schriftelijke instructies om uniformiteit te bewerkstelligen bij het uitvoeren van een specifieke functie of norm;

j) „slachten”: het doden van dieren bestemd voor menselijke consumptie;

k) „slachthuis”: elke voor het slachten van landdieren gebruikte inrichting die onder Verordening (EG) nr. 853/2004 valt;

l) „bedrijfsexploitant”: elke natuurlijke of rechtspersoon die het beheer voert over een onderneming waar dieren worden gedood of waar daarmee verband houdende activiteiten worden verricht die binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen;

m) „pelsdieren”: zoogdieren die voornamelijk worden gehouden ten behoeve van de productie van pelzen, zoals nertsen, bunzingen, vossen, wasberen, beverratten en chinchilla’s;

n) „ruiming”: de methode waarbij onder supervisie van de bevoegde autoriteit dieren worden gedood met het oog op de volksgezondheid, de diergezondheid, het dierenwelzijn of het milieu;

o) „pluimvee”: gekweekte vogels, met inbegrip van vogels die niet als landbouwhuisdier worden beschouwd, maar wel als landbouwhuisdier worden gekweekt, met uitzondering van loopvogels;

p) „fixeren”: het toepassen op een dier van iedere methode die erop is gericht de bewegingen van het dier te beperken en het tegelijk vermijdbare pijn, vermijdbare angst of vermijdbare opwinding te besparen, teneinde het doeltreffend bedwelmen en doden te vergemakkelijken;

q) „bevoegde autoriteit”: de centrale autoriteit van een lidstaat die bevoegd is om ervoor te zorgen dat aan de vereisten van deze verordening wordt voldaan, of elke andere autoriteit waaraan die centrale autoriteit deze bevoegdheid heeft gedelegeerd;

r) NL„pithing”: beschadiging van het weefsel van het centrale zenuwstelsel en het ruggenmerg met een lang en staafvormig, in de schedelholte ingebracht instrument.