Art. 3 Verordening (EG) nr. 810/2009, Onderdanen van derde landen die in het bezit moeten zijn van een transitvisum voor luchthavens
1. Onderdanen van de derde landen die op de lijst in bijlage IV vermeld staan, moeten in het bezit zijn van een luchthaventransitvisum wanneer zij door de internationale transitzones van luchthavens op het grondgebied van de lidstaten reizen.
2. In urgente gevallen van massale toestroom van illegale immigranten kunnen individuele lidstaten verlangen dat onderdanen van andere dan de in lid 1 bedoelde derde landen in het bezit zijn van een luchthaventransitvisum wanneer zij door de internationale transitzones van luchthavens op hun grondgebied reizen. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van elk besluit in die zin vóór het van kracht wordt, alsook van de intrekking van de transitvisumplicht voor luchthavens.
3. De kennisgevingen worden jaarlijks geëvalueerd door het in artikel 52, lid 1, bedoelde comité met het oog op de plaatsing van het betrokken derde land op de lijst van bijlage IV.
4. Indien het derde land niet op de lijst vastgelegd in bijlage IV wordt geplaatst, kan de betrokken lidstaat de transitvisumplicht voor luchthavens handhaven, indien wordt voldaan aan de in lid 2 gestelde voorwaarden, of deze afschaffen.
5. De volgende categorieën personen zijn vrijgesteld van de in de leden 1 en 2 omschreven transitvisumplicht voor luchthavens:
a) houders van een door een lidstaat afgegeven geldig eenvormig visum, geldig nationaal visum voor lang verblijf of geldige verblijfsvergunning;
b) onderdanen van derde landen die in het bezit zijn van geldige verblijfstitels zoals vermeld op de lijst in bijlage V, die zijn afgegeven door Andorra, Canada, Japan, San Marino of de Verenigde Staten van Amerika en de onvoorwaardelijke overname van de houder garanderen;
c) onderdanen van derde landen die in het bezit zijn van een geldig visum voor een lidstaat of voor een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, dan wel voor Canada, Japan of de Verenigde Staten van Amerika, of wanneer zij op terugreis zijn van deze landen na gebruik te hebben gemaakt van het visum;
d) gezinsleden van burgers van de Unie, als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a);
e) houders van diplomatieke paspoorten;
f) vliegtuigbemanningsleden die onderdaan zijn van een staat die partij is bij het Verdrag van Chicago inzake de Internationale Burgerluchtvaart.