Art. 9 Verordening (EG) nr. 428/2009
1. Bij deze verordening wordt voor bepaalde soorten uitvoer een communautaire algemene uitvoervergunning als bedoeld in bijlage II ingesteld.
2. Voor elke andere uitvoer waarvoor uit hoofde van deze verordening een vergunning vereist is, wordt de vergunning in kwestie afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de exporteur gevestigd is. Onder voorbehoud van de beperkingen in lid 4 kan de vergunning een individuele, een globale of een algemene vergunning zijn.
Alle vergunningen zijn in de gehele Gemeenschap geldig.
Exporteurs verstrekken de bevoegde autoriteiten alle informatie die vereist is voor hun aanvragen van individuele en algemene uitvoervergunningen, zodat de nationale bevoegde autoriteiten over volledige informatie beschikken over met name de eindgebruiker, het land van bestemming en het eindgebruik van het uitgevoerde product. Aan de vergunning kan in voorkomend geval een verplichting worden verbonden om een verklaring betreffende het eindgebruik af te geven.
3. De lidstaten behandelen aanvragen voor individuele of algemene vergunningen binnen een volgens de nationale wetgeving of op grond van de nationale praktijk te bepalen termijn.
4. Nationale algemene uitvoervergunningen:
a) sluiten van hun toepassingsgebied producten uit die op de lijst in deel 2 van bijlage II voorkomen;
b) worden gedefinieerd in de nationale wetgeving of in de nationale praktijk. Zij kunnen worden gebruikt door alle exporteurs die gevestigd zijn of verblijven in de lidstaat van afgifte van de vergunning, indien zij voldoen aan de voorschriften van deze verordening en van de aanvullende nationale wetgeving. Zij worden afgegeven overeenkomstig bijlage III quater, en overeenkomstig de nationale wetgeving of de nationale praktijk.
De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van de afgifte of wijziging van nationale algemene uitvoervergunningen. De Commissie maakt deze kennisgevingen bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie;
c) mogen niet worden gebruikt indien de exporteur door zijn autoriteiten is meegedeeld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor gebruik als bedoeld in artikel 4, leden 1 en 3, of in artikel 4, lid 2, in een land ten aanzien waarvan een wapenembargo is ingesteld bij gemeenschappelijk standpunt of gemeenschappelijk optreden van de Raad of bij besluit van de OVSE, dan wel krachtens een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, of indien de exporteur er kennis van draagt dat de producten bestemd zijn voor de bovengenoemde doeleinden.
5. De lidstaten handhaven of scheppen in hun nationale wetgeving de mogelijkheid om een globale uitvoervergunning te verlenen.
6. De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst van de autoriteiten die gemachtigd zijn om:
a) uitvoervergunningen voor producten voor tweeërlei gebruik af te geven;
b) te besluiten de doorvoer van niet-communautaire producten voor tweeërlei gebruik te verbieden op grond van deze verordening.
De Commissie maakt de lijst van deze autoriteiten bekend in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.