Art. 2 Verordening (EG) nr. 278/2009, Definities

Verordening (EG) nr. 278/2009

Voor de toepassing van deze verordening zijn de in Richtlijn 2005/32/EG bepaalde definities van toepassing.

De volgende definities zijn eveneens van toepassing:

1. onder „externe stroomvoorziening” wordt een toestel verstaan dat aan de volgende criteria beantwoordt:

a) het is ontworpen om wisselstroomspanning van het elektriciteitsnetwerk om te zetten in laagspanningsgelijk- of wisselstroom;

b) het is in staat om slechts naar één gelijk- of wisselstroomspanning tegelijk om te zetten;

c) het is bestemd om te worden gebruikt met een afzonderlijk toestel, het primair stroomverbruikend toestel;

d) het bevindt zich in een fysieke behuizing gescheiden van het primair stroomverbruikend toestel;

e) het is met het primair stroomverbruikend toestel verbonden via verwijderbare of vastbedrade mannelijke/vrouwelijke elektrische aansluitingen, kabels, snoeren of andere bedradingen;

f) het nominale uitgangsvermogen bedraagt niet meer dan 250 Watt;

g) het is bestemd om te worden gebruikt met elektrische en elektronische huishoud- en kantoorapparaten, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1275/2008;

2. onder „externe laagspanningsstroomvoorziening” wordt een externe stroomvoorziening verstaan met een nominale uitgangsspanning van minder dan 6 Volt en een nominale uitgangsstroom van minstens 550 milliampère;

3. onder „transformator voor halogeenverlichting” wordt een externe stroomvoorziening verstaan die gebruikt wordt met tungsten-halogeenlampen met extralage spanning;

4. onder „ononderbreekbare stroomvoorziening” wordt een toestel verstaan dat automatisch back-upstroom levert als de stroom van elektriciteitsnetwerk beneden een onaanvaardbaar spanningsniveau daalt;

5. onder „batterijlader” wordt een toestel verstaan waarvan de uitgangsinterface rechtstreeks kan worden aangesloten op een verwijderbare batterij;

6. onder „spanningstransformator” wordt een toestel verstaan dat de 230V-spanning van het elektriciteitsnetwerk omzet in een spanning van 110 V, die dezelfde kenmerken vertoont als de spanning van het elektriciteitsnetwerk;

7. onder „nominaal uitgangsvermogen” (PO) wordt het door de fabrikant gespecificeerde uitgangsvermogen verstaan;

8. onder „niet-belaste toestand” wordt de toestand verstaan waarin een externe stroomvoorziening op het elektriciteitsnetwerk is aangesloten maar niet op een primair stroomverbruikend toestel;

9. onder „actieve toestand” wordt de toestand verstaan waarbij een externe stroomvoorziening op het elektriciteitsnetwerk is aangesloten en op een primair stroomverbruikend toestel;

10. de „actieve efficiëntie” is de verhouding tussen het vermogen dat door een externe stroomvoorziening in actieve toestand wordt geleverd en het vermogen dat daarvoor nodig is;

11. de „gemiddelde actieve efficiëntie” is het gemiddelde van de efficiëntie in actieve toestand bij 25 %, 50 %, 75 % en 100 % van het nominale uitgangsvermogen.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen