Art. 2 Verordening (EG) nr. 245/2009, Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die in Richtlijn 2005/32/EG zijn vermeld. De volgende definities zijn eveneens van toepassing:
1. „algemene verlichting”: in hoofdzaak gelijkmatige verlichting van een gebied waarbij aan de verlichting verder geen speciale lokale eisen worden gesteld;
2. „kantoorverlichting”: een vaste verlichtingsinstallatie voor kantoorwerkzaamheden bedoeld om mensen in staat te stellen visuele taken efficiënt en accuraat uit te voeren;
3. „straatverlichting”: een vaste verlichtingsinstallatie bedoeld om verkeersdeelnemers een goed zicht te bieden in het donker ten behoeve van de verkeersveiligheid, het verkeersverloop en de openbare veiligheid;
4. „ontladingslamp”: een lamp waarin het licht direct of indirect wordt opgewekt door een elektrische ontlading met behulp van een gas, een metaaldamp of een mengsel van verscheidene gassen en dampen;
5. „voorschakelapparaat”: een apparaat dat in hoofdzaak is bedoeld om de stroom van de lamp(en) te beperken tot de vereiste waarde indien het is aangesloten tussen de voedingsbron en een of meer ontladingslampen. Een voorschakelapparaat kan ook voorzien zijn van middelen om de toevoerspanning om te zetten, de lamp te dimmen, de vermogensfactor te corrigeren en, hetzij alleen of in combinatie met een starter, de vereiste voorwaarden te scheppen om de lamp(en) te doen ontbranden;
6. „armatuur”: een apparaat dat zorgt voor de verspreiding, filtering of omzetting van licht afkomstig van een of meer lichtbronnen en alle benodigde onderdelen bevat voor de ondersteuning, bevestiging en bescherming van de lichtbronnen alsmede, zo nodig, hulpstroomkringen met inbegrip van de middelen om deze aan te sluiten op de voedingsbron, maar niet de lichtbronnen zelf;
7. „fluorescentielampen”: ontladingslampen van het lagedrukkwiktype waarin het meeste licht wordt voortgebracht door een of meer lagen fosforen die worden aangeslagen door de ultraviolette straling die door de ontlading wordt opgewekt;
8. „fluorescentielampen zonder ingebouwd voorschakelapparaat”: fluorescentielampen met dubbele en enkelvoudige lampvoet zonder ingebouwd voorschakelapparaat;
9. „hogedrukgasontladingslampen”: lampen waarin een elektrische gasontlading wordt opgewekt en waarbij de licht voortbrengende boog door de oppervlaktemperatuur wordt gestabiliseerd en de boog een hoger toegevoerd vermogen per eenheid binnenoppervlak heeft dan 3 watt per vierkante centimeter.
Voor de toepassing van de bijlagen I en III tot en met VII gelden ook de definities die in bijlage II zijn vermeld.