Art. 2 Verordening (EG) nr. 244/2009, Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die in Richtlijn 2005/32/EG zijn vermeld. De volgende definities zijn eveneens van toepassing:
1. „verlichting van een huishoudelijke ruimte”: de volledige of gedeeltelijke verlichting van een huishoudelijke ruimte, door de vervanging of aanvulling van natuurlijk licht met kunstlicht om de zichtbaarheid in die ruimte te verbeteren;
2. „lamp”: een bron die is vervaardigd om, meestal zichtbare, optische straling voort te brengen, met inbegrip van alle bijkomende onderdelen die nodig zijn om de lamp te doen ontbranden, van stroom te voorzien of stabiel te doen werken of voor de verspreiding, filtering of omzetting van de optische straling indien die onderdelen niet kunnen worden verwijderd zonder de eenheid permanent te beschadigen;
3. „lamp voor huishoudelijk gebruik”: een lamp die bedoeld is voor de verlichting van een huishoudelijke ruimte; hiertoe behoren geen lampen voor bijzondere doeleinden;
4. „lamp voor bijzondere doeleinden”: een lamp die niet bedoeld is voor de verlichting van een huishoudelijke ruimte vanwege haar technische parameters of omdat de bijbehorende productinformatie aangeeft dat de lamp niet geschikt is voor de verlichting van een huishoudelijke ruimte;
5. „gerichte lamp”: een lamp met een lichtopbrengst van ten minste 80 % binnen een ruimtehoek van π sr (overeenkomend met een kegel met een hoek van 120°);
6. „niet-gerichte lamp”: een lamp die niet een gerichte lamp is;
7. „gloeidraadlamp”: een lamp waarin licht wordt voortgebracht door middel van een draadgeleider die door de doorgang van een elektrische stroom wordt verwarmd en daardoor begint te gloeien. De lamp kan al dan niet gassen bevatten die het gloeiproces beïnvloeden;
8. „gloeilamp”: een gloeidraadlamp waarin de gloeidraad werkt in een luchtledige peer of omgeven is door inert gas;
9. „halogeengloeilamp”: een gloeidraadlamp waarin de gloeidraad van wolfram is vervaardigd en wordt omringd door gas dat halogenen of halogeenverbindingen bevat. Halogeengloeilampen worden met of zonder ingebouwde voeding geleverd;
10. „ontladingslamp”: een lamp waarin het licht direct of indirect wordt opgewekt door een elektrische ontlading met behulp van een gas, een metaaldamp of een mengsel van verscheidene gassen en dampen;
11. „fluorescentielamp”: een ontladingslamp van het lagedrukkwiktype waarin het meeste licht wordt voortgebracht door één of meer lagen fosfor die worden aangeslagen door de ultraviolette straling die door de ontlading wordt opgewekt. Fluorescentielampen worden met of zonder geïntegreerd voorschakelapparaat geleverd;
12. „voorschakelapparaat”: een apparaat dat in hoofdzaak is bedoeld om de stroom van de lamp(en) te beperken tot de vereiste waarde indien het is aangesloten tussen de voedingsbron en één of meer ontladingslampen. Een voorschakelapparaat kan ook voorzien zijn van middelen om de toevoerspanning om te zetten, de lamp te dimmen, de arbeidsfactor te corrigeren en, hetzij alleen of in combinatie met een starter, de vereiste voorwaarden te scheppen om de lamp(en) te doen ontbranden. Het voorschakelapparaat kan in de lamp geïntegreerd zijn of zich buiten de lamp bevinden;
13. „voeding”: een apparaat dat bedoeld is om inkomende wisselstroom (AC) van de netvoedingsbron om te zetten in gelijkstroom (DC) of een andere AC-output;
14. „compacte fluorescentielamp”: een eenheid die niet kan worden ontmanteld zonder permanente beschadiging, voorzien van een lampvoet, een fluorescentielamp en bijkomende onderdelen die nodig zijn om de lamp te doen ontbranden en stabiel te doen werken;
15. „fluorescentielamp zonder ingebouwd voorschakelapparaat”: een fluorescentielamp met dubbele en enkelvoudige lampvoet zonder ingebouwd voorschakelapparaat;
16. „hogedrukgasontladingslamp”: een lamp waarin een elektrische gasontlading wordt opgewekt en waarbij de licht voortbrengende boog door de oppervlaktemperatuur wordt gestabiliseerd en de boog een hoger toegevoerd vermogen per eenheid binnenoppervlak heeft dan 3 watt per vierkante centimeter;
17. „lichtdiode” of „led”: een halfgeleidertoestel dat een PN-junctie omvat, en optische straling afgeeft wanneer het door elektrische stroom wordt aangeslagen;
18. „ledlamp”: een lamp waarin één of meer led’s zijn ingebouwd.
Voor de toepassing van de bijlagen II tot en met IV gelden ook de definities die in bijlage I zijn vermeld.