Art. 41, Nationale reserve
1. Elke lidstaat beheert een nationale reserve waarin het verschil wordt opgenomen tussen:
a) de in bijlage VIII van de onderhavige verordening vastgestelde nationale maxima; en
b) het totaalbedrag van alle toegewezen toeslagrechten en de overeenkomstig artikel 51, lid 2, en artikel 69, lid 3, van de onderhavige verordening of, voor 2009, overeenkomstig artikel 64, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde maxima.
2. De lidstaten kunnen de nationale reserve gebruiken om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, bij voorrang toeslagrechten toe te wijzen aan landbouwers die met hun landbouwactiviteiten beginnen.
3. Lidstaten die artikel 68, lid 1, punt c), niet toepassen, kunnen de nationale reserve gebruiken om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, toeslagrechten vast te stellen voor landbouwers in gebieden waar aan een of andere vorm van overheidssteun gekoppelde herstructurerings- en ontwikkelingsprogramma's lopen om te voorkomen dat het land wordt verlaten en/of om landbouwers te compenseren voor specifieke nadelen in die gebieden.
4. De nieuwe lidstaten gebruiken de nationale reserve om, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen, toeslagrechten toe te wijzen aan landbouwers die zich in een bijzondere, door de Commissie volgens de in artikel 141, lid 2, bedoelde procedure te omschrijven situatie bevinden.
5. In het kader van de toepassing van dit artikel kunnen de lidstaten het eenheidsbedrag van de toeslagrechten en/of het aantal aan landbouwers toegewezen toeslagrechten verhogen.