Art. 132 Verordening (EG) nr. 73/2009, Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen en rechtstreekse betalingen
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „een met GLB-steun vergelijkbare nationale regeling” verstaan, elke nationale regeling inzake rechtstreekse betalingen die vóór de datum van toetreding van de nieuwe lidstaten van toepassing was en waarbij aan de landbouwers steun werd verleend voor productie waarop een van de rechtstreekse betalingen betrekking heeft.
2. Onder voorbehoud van toestemming van de Commissie kunnen de nieuwe lidstaten eventuele rechtstreekse betalingen aanvullen:
a) tot 30 procentpunten boven het in artikel 121 bedoelde voor het betrokken jaar geldende niveau. Voor Bulgarije en Roemenië geldt het volgende:65 % van het niveau van de rechtstreekse betalingen in de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004 in 2009, en vanaf 2010 tot 50 procentpunten boven het in artikel 121 bedoelde voor het betrokken jaar geldende niveau. Tsjechië kan de rechtstreekse betalingen in de sector aardappelzetmeel echter aanvullen tot 100 % van het niveau dat geldt in andere dan de nieuwe lidstaten. De in titel IV, hoofdstuk 7, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde rechtstreekse betalingen kunnen door de nieuwe lidstaten evenwel tot 100 % worden aangevuld. Voor Bulgarije en Roemenië zijn de volgende maximumpercentages van toepassing: 95 % in 2009 en 100 % met ingang van 2010;
of
b) i) wat de andere rechtstreekse betalingen dan de bedrijfstoeslag betreft, tot het totale niveau van de rechtstreekse steun waarop de landbouwer in de nieuwe lidstaat in het kalenderjaar 2003 per product op grond van een met GLB-steun vergelijkbare nationale regeling recht zou hebben, verhoogd met 10 procentpunten. Voor Litouwen is het referentiejaar evenwel het kalenderjaar 2002.Voor Bulgarije en Roemenië is het referentiejaar het kalenderjaar 2006. Voor Slovenië bedraagt de verhoging 25 procentpunten;
ii) wat de bedrijfstoeslagregeling betreft, wordt het totale bedrag van de aanvullende nationale rechtstreekse steun die een nieuwe lidstaat voor een bepaald jaar toekent, beperkt door een specifiek totaalbedrag. Dit totaalbedrag is gelijk aan het verschil tussen:
— het totale bedrag aan met GLB-steun vergelijkbare nationale rechtstreekse steun dat in de betrokken nieuwe lidstaat beschikbaar zou zijn voor het kalenderjaar 2003 of, in het geval van Litouwen, het kalenderjaar 2002, telkens verhoogd met 10 procentpunten. Voor Bulgarije en Roemenië is het referentiejaar evenwel het kalenderjaar 2006. Voor Slovenië geldt een verhoging van 25 procentpunten, en
— het in bijlage VIII opgenomen nationale maximum voor deze nieuwe lidstaat, zo nodig aangepast overeenkomstig artikel 51, lid 2.
Bij de berekening van het in het eerste streepje bedoelde totale bedrag worden meegerekend de nationale rechtstreekse betalingen of aandelen daarvan die overeenkomen met de communautaire rechtstreekse betalingen of aandelen daarvan die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het feitelijke maximum voor de betrokken nieuwe lidstaat overeenkomstig artikel 40 en artikel 51, lid 2.
Voor elke betrokken rechtstreekse betaling kan een nieuwe lidstaat kiezen voor de toepassing van punt a) of punt b) van de eerste alinea.
Vanaf 2012 is de totale rechtstreekse steun die na de toetreding in de nieuwe lidstaat aan een landbouwer kan worden toegekend uit hoofde van de betrokken rechtstreekse betaling met inbegrip van alle aanvullende nationale rechtstreekse betalingen, niet hoger dan het niveau van de rechtstreekse steun waarop die landbouwer recht zou hebben uit hoofde van de overeenkomstige rechtstreekse betaling die op dat moment geldt voor andere dan de nieuwe lidstaten, rekening houdend met de toepassing van artikel 7, lid 1, juncto artikel 10.
3. Cyprus kan de rechtstreekse steun die aan een landbouwer wordt betaald uit hoofde van rechtstreekse betalingen in het kader van een in bijlage I opgenomen steunregelingen, aanvullen tot het totale niveau van de steun waarop de landbouwer in 2001 in Cyprus recht zou hebben gehad.
De autoriteiten van Cyprus zorgen ervoor dat de totale rechtstreekse steun die na de toetreding in Cyprus uit hoofde van de betrokken rechtstreekse betaling met inbegrip van alle aanvullende nationale rechtstreekse betalingen aan een landbouwer wordt toegekend, in geen geval hoger is dan de rechtstreekse steun waarop die landbouwer recht zou hebben uit hoofde van de overeenkomstige rechtstreekse betaling in het betrokken jaar in andere dan de nieuwe lidstaten.
De totale bedragen van de aanvullende nationale steun die kan worden verleend, zijn vermeld in bijlage XVI.
De aanvullende nationale steun die kan worden toegekend, wordt onderworpen aan welke aanpassingen ook die eventueel nodig zijn als gevolg van de ontwikkelingen in het GLB.
De leden 2 en 5 zijn niet van toepassing op Cyprus.
4. Indien een nieuwe lidstaat besluit de regeling inzake een enkele areaalbetaling toe te passen, kan die nieuwe lidstaat onder de in de leden 5 en 8 bepaalde voorwaarden aanvullende nationale rechtstreekse steun verlenen.
5. Het totale bedrag aan aanvullende nationale steun dat bij toepassing van de regeling inzake een enkele areaalbetaling in een bepaald jaar wordt toegekend, kan worden beperkt aan de hand van een specifiek totaalbedrag per (sub)sector, op voorwaarde dat dat (sub)sectorspecifieke totaalbedrag slechts betrekking kan hebben op:
a) de met de bedrijfstoeslagregeling gecombineerde rechtstreekse betalingen en/of
b) voor 2009 een of meer van de rechtstreekse betalingen die overeenkomstig artikel 70, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de bedrijfstoeslagregeling worden of kunnen worden uitgesloten of waarvoor een gedeeltelijke uitvoering als bedoeld in artikel 64, lid 2, van die verordening mogelijk is.
c) vanaf 2010, een of meer van de rechtstreekse betalingen waarop de in artikel 51, lid 2, en artikel 68 van die verordening bedoelde gedeeltelijke uitvoering of specifieke steun kan worden toegepast.
Dit totaalbedrag is gelijk aan het verschil tussen:
a) het totale bedrag van de steun per (sub)sector dat voortvloeit uit de toepassing van lid 2, tweede alinea, punt a) of punt b), naar gelang van het geval, en
b) het totale bedrag van de rechtstreekse steun dat in de betrokken nieuwe lidstaat in het betrokken jaar voor dezelfde (sub)sector beschikbaar zou zijn op grond van de regeling inzake een enkele areaalbetaling.
6. De nieuwe lidstaat kan op basis van objectieve criteria na toestemming van de Commissie beslissen welke bedragen aan aanvullende nationale steun kunnen worden verleend.
7. De toestemming van de Commissie:
a) vermeldt de betrokken met GLB-steun vergelijkbare nationale regelingen inzake rechtstreekse betalingen in geval van toepassing van lid 2, eerste alinea, onder b),
b) bepaalt tot welk niveau de aanvullende nationale steun kan worden betaald, hoe hoog de aanvullende nationale steun is en, in voorkomend geval, welke voorwaarden voor de toekenning van die steun gelden,
c) wordt verleend onder voorbehoud van welke aanpassingen ook die eventueel nodig zijn als gevolg van ontwikkelingen in het GLB.
8. De toekenning van aanvullende nationale betalingen of steun is niet mogelijk voor landbouwactiviteiten waarvoor in andere dan de nieuwe lidstaten niet in rechtstreekse betalingen is voorzien.