Art. 15 Richtlijn 2009/125/EG, Uitvoeringsmaatregelen

Richtlijn 2009/125/EG

1. Wanneer een product voldoet aan de criteria zoals opgesomd in lid 2 van dit artikel, dient daarop een uitvoeringsmaatregel of een zelfreguleringsmaatregel overeenkomstig lid 3, onder b), van dit artikel, van toepassing te zijn. Dergelijke uitvoeringsmaatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 19, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

2. De criteria waarnaar in lid 1 wordt verwezen, zijn de volgende:

a) het product vertegenwoordigt volgens de laatst beschikbare cijfers in de Gemeenschap een significant omzet- en handelsvolume van — ter indicatie — meer dan 200 000 eenheden per jaar;

b) het product heeft, gelet op de hoeveelheden die op de markt zijn geïntroduceerd of in gebruik zijn genomen, in de Gemeenschap een significant milieueffect, zoals bepaald in de bij Besluit nr. 1600/2002/EG vastgestelde prioriteiten van de Gemeenschap, en

c) het product biedt een significant potentieel voor verbetering met betrekking tot het milieueffect zonder dat dit buitensporige kosten meebrengt, waarbij met name rekening met het volgende wordt gehouden:

i) er is geen andere communautaire wetgeving van toepassing of het probleem wordt niet passend door marktwerking opgelost, en

ii) tussen de op de markt beschikbare producten met een gelijkwaardige functionaliteit bestaan grote verschillen in milieuprestaties.

3. Wanneer de Commissie een ontwerp voor een uitvoeringsmaatregel opstelt, houdt zij rekening met de standpunten van het comité bedoeld in artikel 19, lid 1, alsook met:

a) communautaire milieuprioriteiten zoals die welke vermeld staan in Besluit nr. 1600/2002/EG of in het Europees programma inzake klimaatverandering (ECCP) van de Commissie, en

b) relevante communautaire wetgeving en zelfreguleringsmaatregelen, zoals vrijwillige overeenkomsten waarmee, na een beoordeling overeenkomstig artikel 17, verwacht wordt de beleidsdoelstellingen sneller of tegen lagere kosten te bereiken dan met dwingende voorschriften.

4. Wanneer de Commissie een ontwerp voor een uitvoeringsmaatregel opstelt:

a) houdt zij rekening met de levenscyclus van het product en alle significante milieuaspecten, waaronder de energie-efficiëntie. De grondigheid van de analyse van de milieuaspecten en van de haalbaarheid van hun verbetering moet proportioneel aan hun belang zijn. De vaststelling van voorschriften inzake ecologisch ontwerp ten aanzien van de significante milieuaspecten van een product mag niet onnodig worden vertraagd door onzekerheid omtrent de andere aspecten;

b) voert zij een analyse uit waarin de gevolgen voor milieu, consumenten en fabrikanten, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, beoordeeld worden vanuit het oogpunt van concurrentievermogen — ook op markten buiten de Gemeenschap —, innovatie, markttoegang en kosten en baten;

c) houdt zij rekening met de bestaande nationale milieuwetgeving die de lidstaten als relevant beschouwen;

d) pleegt zij naar behoren overleg met de belanghebbenden;

e) stelt zij, op basis van de onder b) genoemde beoordeling, een toelichting op bij het ontwerp voor een uitvoeringsmaatregel, en

f) bepaalt zij de uitvoeringsdatum c.q. uitvoeringsdata en een eventuele gefaseerde of overgangsmaatregel of -periode, met inachtneming van met name eventuele consequenties voor kleine en middelgrote ondernemingen of voor specifieke productgroepen die in hoofdzaak door kleine en middelgrote ondernemingen worden vervaardigd.

5. De uitvoeringsmaatregelen voldoen aan de volgende criteria:

a) er is, vanuit het oogpunt van de gebruiker, geen significant nadelig effect voor de werking van het product;

b) er zijn geen schadelijke gevolgen voor de gezondheid, de veiligheid en het milieu;

c) er is geen significant nadelig effect voor de consument, met name niet wat de betaalbaarheid en de levenscycluskosten van het product betreft;

d) er is geen significant nadelig effect voor het concurrentievermogen van het bedrijfsleven;

e) in principe heeft het vaststellen van een ecologisch ontwerpvoorschrift niet tot gevolg dat een aan een fabrikant gebonden technologie aan producenten wordt opgelegd, en

f) aan de fabrikant wordt geen overdreven zware administratieve last opgelegd.

6. In de uitvoeringsmaatregelen worden eisen inzake ecologisch ontwerp overeenkomstig bijlage I en/of bijlage II vastgesteld.

Specifieke eisen inzake ecologisch ontwerp worden ingevoerd voor geselecteerde milieuaspecten die een significant milieueffect hebben.

In de uitvoeringsmaatregel kan ook worden bepaald dat, met betrekking tot de gespecificeerde parameters inzake ecologisch ontwerp bedoeld in bijlage I, deel 1, geen voorschrift inzake ecologisch ontwerp vereist is.

7. De voorschriften moeten zodanig worden geformuleerd dat gegarandeerd wordt dat de instanties voor markttoezicht kunnen nagaan of het product voldoet aan de eisen van de uitvoeringsmaatregel. De uitvoeringsmaatregel moet specificeren of de controle direct op het product dan wel op basis van de technische documentatie kan plaatsvinden.

8. De uitvoeringsmaatregelen omvatten de in bijlage VII vermelde elementen.

9. De verschillende studies en analyses waarvan de Commissie bij de opstelling van uitvoeringsmaatregelen gebruikmaakt, worden ter beschikking gesteld van het publiek, met name rekening houdend met gemakkelijke toegang en gebruik door kleine en middelgrote bedrijven die daarvoor belangstelling hebben.

10. In voorkomend geval gaat een uitvoeringsmaatregel tot vaststelling van de eisen inzake ecologisch ontwerp vergezeld van bepalingen betreffende het afwegen van verschillende milieuaspecten. Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 19, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikelen die hiernaar verwijzen

Vorige artikelen

Volgende artikelen