Art. 5 Richtlijn 2009/32/EG

Richtlijn 2009/32/EG

1. Indien een lidstaat, naar aanleiding van nieuwe gegevens of van een na aanneming van deze richtlijn verkregen nieuwe visie op bestaande gegevens, gegronde redenen heeft om aan te nemen dat het gebruik in levensmiddelen van één of meer van de in bijlage I genoemde stoffen of de aanwezigheid in deze stoffen van één of meer van de in artikel 3 genoemde componenten gevaar voor de gezondheid kan opleveren hoewel voldaan is aan de eisen van deze richtlijn, kan die lidstaat de toepassing van de betrokken bepalingen op zijn grondgebied tijdelijk schorsen of beperken. Hij stelt de andere lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis, onder opgave van de redenen die tot het besluit hebben geleid.

2. De Commissie onderzoekt ten spoedigste de door de betrokken lidstaat opgegeven redenen en raadpleegt het in artikel 6, lid 1, bedoelde comité, waarna zij onmiddellijk advies uitbrengt en passende maatregelen neemt, die de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen kunnen vervangen.

3. Indien de Commissie van oordeel is dat deze richtlijn dient te worden gewijzigd teneinde de in lid 1 bedoelde moeilijkheden op te lossen en de volksgezondheid te beschermen, stelt zij deze wijzigingen vast.

Die maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 6, lid 4, bedoelde urgentieprocedure.

De lidstaat die beschermende maatregelen heeft genomen, mag deze in dat geval handhaven tot de wijzigingen op zijn grondgebied in werking treden.

Vorige artikelen

Volgende artikelen