Art. 1 Richtlijn 2009/29/EG, Wijzigingen van Richtlijn 2003/87/EG
Richtlijn 2003/87/EG wordt als volgt gewijzigd:
1) Aan artikel 1 worden de volgende alinea’s toegevoegd:
„Deze richtlijn voorziet tevens in een sterkere verlaging van de emissies van broeikasgassen teneinde bij te dragen tot het reductieniveau dat op wetenschappelijke gronden nodig wordt geacht om een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen.
In deze richtlijn worden tevens bepalingen vastgesteld voor de beoordeling en uitvoering van een strengere reductieverbintenis van de Gemeenschap van meer dan 20 %, die moet gelden na de goedkeuring door de Gemeenschap van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering die tot grotere broeikasgasemissiereducties leidt dan op grond van artikel 9 vereist is, zoals weerspiegeld in de 30 %-verbintenis die de Europese Raad van maart 2007 heeft onderschreven.”.
2) Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
a) punt c) wordt vervangen door:
„c) „broeikasgassen”: de in bijlage II genoemde gassen en andere gasvormige bestanddelen van de atmosfeer, zowel natuurlijke als antropogene, die infrarode straling absorberen en weer uitstralen;”;
b) punt h) wordt vervangen door:
„h) „nieuwkomer”:
— een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten uitvoert en waaraan na 30 juni 2011 voor de eerste maal een vergunning voor broeikasgasemissies is verleend,
— een installatie die een activiteit uitvoert die overeenkomstig artikel 24, lid 1 of 2, voor de eerste maal in de Gemeenschapsregeling is opgenomen, of
— een installatie die een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten dan wel een activiteit die overeenkomstig artikel 24, lid 1 of 2, in de Gemeenschapsregeling is opgenomen, uitvoert en na 30 juni 2011 een aanzienlijke uitbreiding heeft ondergaan, alleen voor zover het deze uitbreiding betreft.”;
c) de volgende punten worden toegevoegd:
„t) „verbranden”: het oxideren van brandstoffen, ongeacht de wijze waarop de warmte, de elektrische of de mechanische energie die tijdens dit proces vrijkomt wordt gebruikt, en andere rechtstreeks daarmee verband houdende activiteiten, met inbegrip van rookgasreiniging;
u) „elektriciteitsopwekker”: een installatie die op of na 1 januari 2005 elektriciteit heeft geproduceerd om aan derden te worden verkocht en waarin geen van de in bijlage I genoemde activiteiten worden uitgevoerd, behalve het „verbranden van brandstof”.”.
3) In artikel 3 quater, lid 2, wordt het woord „artikel 11, lid 2” vervangen door „artikel 13, lid 1”.
4) In artikel 3 octies worden de woorden „de volgens artikel 14 aangenomen richtsnoeren” vervangen door „de in artikel 14 bedoelde verordening”.
5) Artikel 4 wordt vervangen door:
„Artikel 4
Vergunningen voor broeikasgasemissies
De lidstaten dragen er zorg voor dat vanaf 1 januari 2005 geen installatie een in bijlage I genoemde activiteit verricht welke een voor die activiteit gespecificeerde emissie tot gevolg heeft, tenzij haar exploitant in het bezit is van een door een bevoegde autoriteit overeenkomstig de artikelen 5 en 6 verleende vergunning, of de installatie uit hoofde van artikel 27 is uitgesloten van de Gemeenschapsregeling. Dit geldt tevens voor installaties die overeenkomstig artikel 24 zijn opgenomen.”.
6) Artikel 5, onder d), wordt vervangen door:
„d) de geplande maatregelen voor de bewaking en rapportage van emissies overeenkomstig de in artikel 14 bedoelde verordening.”.
7) Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
a) aan lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:
„De bevoegde autoriteit toetst de vergunning voor broeikasgasemissie ten minste om de vijf jaar en brengt daarin de eventueel benodigde wijzigingen aan.”;
b) lid 2, onder c), wordt vervangen door:
„c) een monitoringplan dat voldoet aan de eisen uit hoofde van de in artikel 14 bedoelde verordening. De lidstaten kunnen de exploitanten toestaan de monitoringplannen bij te werken zonder de vergunning te wijzigen. De exploitanten leggen de bijgewerkte monitoringplannen ter goedkeuring aan de bevoegde autoriteit voor.”.
8) Artikel 7 wordt vervangen door:
„Artikel 7
Wijzigingen in installaties
De exploitant stelt de bevoegde autoriteit in kennis van voorgenomen wijzigingen in de aard of de werking, van voorgenomen uitbreidingen of van aanzienlijke capaciteitsvermindering van de installatie, waarvoor een aanpassing van de broeikasgasemissievergunning vereist kan zijn. Zo nodig stelt de bevoegde autoriteit de vergunning bij. Bij een verandering in de identiteit van de exploitant van de installatie past de bevoegde autoriteit de vergunning aan door vermelding van de naam en het adres van de nieuwe exploitant.”.
9) Artikel 9 wordt vervangen door:
„Artikel 9
Hoeveelheid emissierechten voor de hele Gemeenschap
De hoeveelheid emissierechten die met ingang van 2013 elk jaar voor de hele Gemeenschap wordt verleend, neemt lineair af vanaf het tijdstip halverwege de periode van 2008 tot 2012. De hoeveelheid neemt af met een lineaire factor van 1,74 % van de gemiddelde jaarlijkse totale hoeveelheid emissierechten die door de lidstaten overeenkomstig de beschikkingen van de Commissie inzake hun nationale toewijzingsplannen voor de periode van 2008 tot 2012 worden verleend.
De Commissie publiceert uiterlijk op 30 juni 2010 de absolute hoeveelheid emissierechten voor 2013 voor de gehele Gemeenschap, die is gebaseerd op de totale hoeveelheden emissierechten die door de lidstaten overeenkomstig de beschikkingen van de Commissie inzake hun nationale toewijzingsplannen voor de periode van 2008 tot 2012 zijn of zullen worden verleend.
De Commissie evalueert de lineaire factor en dient indien nodig na 2020 een voorstel in bij het Europees Parlement en bij de Raad, opdat uiterlijk in 2025 een besluit kan worden goedgekeurd.”.
10) Het volgende artikel wordt ingevoegd:
„Artikel 9 bis
Aanpassing van de hoeveelheid emissierechten voor de hele Gemeenschap
1. Ten aanzien van de installaties die gedurende de periode van 2008 tot 2012 overeenkomstig artikel 24, lid 1, in de Gemeenschapsregeling waren opgenomen, wordt de te verlenen hoeveelheid emissierechten met ingang van 1 januari 2013 aangepast in overeenstemming met de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid emissierechten die gedurende de periode van hun opneming voor deze installaties is verleend, verminderd met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor.
2. Ten aanzien van de installaties die in bijlage I genoemde activiteiten uitvoeren en pas met ingang van 2013 in de Gemeenschapsregeling worden opgenomen, zorgen de lidstaten ervoor dat de exploitanten van deze installaties bij de desbetreffende bevoegde autoriteit terdege onderbouwde en onafhankelijk geverifieerde emissiegegevens indienen, zodat daar met het oog op de aanpassing van de voor de hele Gemeenschap te verlenen hoeveelheid emissierechten rekening mee kan worden gehouden.
Deze gegevens worden uiterlijk op 30 april 2010 overeenkomstig de bepalingen aangenomen overeenkomstig artikel 14, lid 1, bij de desbetreffende bevoegde autoriteit ingediend.
Als de ingediende gegevens afdoende worden gestaafd, stelt de bevoegde autoriteit de Commissie uiterlijk op 30 juni 2010 daarvan in kennis en wordt de te verlenen hoeveelheid emissierechten, verminderd met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor, dienovereenkomstig aangepast. Voor installaties die andere broeikasgassen dan CO2 uitstoten, kan de bevoegde autoriteit een kleinere hoeveelheid emissies opgeven overeenkomstig het emissiereductiepotentieel van die installaties.
3. De Commissie publiceert uiterlijk 30 september 2010 de in de leden 1 en 2 bedoelde aangepaste hoeveelheden.
4. Ten aanzien van installaties die overeenkomstig artikel 27 van de Gemeenschapsregeling zijn uitgesloten, wordt de voor de hele Gemeenschap vanaf 1 januari 2013 te verlenen hoeveelheid emissierechten neerwaarts aangepast om het gemiddelde van de geverifieerde emissies van deze installaties in de periode van 2008 tot en met 2010 te weerspiegelen, aangepast met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor.”.
11) Artikel 10 wordt vervangen door:
„Artikel 10
Veiling van emissierechten
1. Met ingang van 2013 veilen de lidstaten alle emissierechten die niet overeenkomstig artikel 10 bis en 10 ter kosteloos worden toegewezen. Uiterlijk op 31 december 2010 bepaalt en publiceert de Commissie de geraamde hoeveelheid te veilen emissierechten.
2. De totale hoeveelheid door de lidstaten te veilen emissierechten, bestaat uit:
a) 88 % van de totale hoeveelheid te veilen emissierechten over de lidstaten wordt verdeeld, waarbij elk aandeel identiek is aan het aandeel van de betrokken lidstaat in de geverifieerde emissies krachtens de Gemeenschapsregeling voor 2005 of, als dit meer is, het gemiddelde voor de periode van 2005 tot en met 2007;
b) 10 % van de totale hoeveelheid te veilen emissierechten die met het oog op solidariteit en groei binnen de Gemeenschap over bepaalde lidstaten wordt verdeeld, zodat de hoeveelheid emissierechten die deze lidstaten krachtens punt a) veilen, met de in bijlage II bis vermelde percentages wordt verhoogd, en
c) 2 % van de totale hoeveelheid te veilen emissierechten die wordt verdeeld over de lidstaten waarvan de broeikasgasemissies in 2005 tenminste 20 % lager lagen dan hun emissies in het referentiejaar overeenkomstig het Protocol van Kyoto. Dit percentage wordt onder de lidstaten in kwestie verdeeld overeenkomstig bijlage II ter.
Met het oog op punt a) wordt het aandeel van de lidstaten die in 2005 niet aan de Gemeenschapsregeling hebben deelgenomen, berekend aan de hand van hun geverifieerde emissie krachtens de Gemeenschapsregeling in 2007.
Indien nodig worden de onder b) en c) genoemde percentages evenredig aangepast om te zorgen dat de verdeling 10 % respectievelijk 2 % bedraagt.
3. De lidstaten bepalen hoe de opbrengsten van de veiling van emissierechten worden gebruikt. Ten minste 50 % van de opbrengsten uit de in lid 2 bedoelde veiling van emissierechten, met inbegrip van alle opbrengsten uit de in lid 2, onder b) en c), bedoelde veilingen, of het financiële waarde-equivalent van deze inkomsten, zou moeten worden gebruikt voor één of meerdere van de onderstaande doelstellingen:
a) reductie van de emissie van broeikasgassen, onder andere door bijdragen aan het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie en aan het door de Conferentie inzake klimaatverandering van Poznan (COP 14 en COP/MOP 4) operationeel gemaakte Aanpassingsfonds, aanpassing aan de effecten van klimaatverandering, en financiering van onderzoek en ontwikkeling alsmede demonstratieprojecten voor emissiereductie en aanpassing aan klimaatverandering, inclusief deelname aan initiatieven in het kader van het Europees strategisch plan voor energietechnologie en de Europese technologieplatforms;
b) de ontwikkeling van duurzame energie om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om tegen 2020 20 % duurzame energie te gebruiken, alsook de ontwikkeling van andere technologieën die bijdragen tot de overgang naar een veilige en duurzame, koolstofarme economie, en om te voldoen aan de toezegging van de Gemeenschap om de energie-efficiëntie tegen 2020 met 20 % op te voeren;
c) maatregelen om ontbossing te voorkomen en bebossing en herbebossing te doen toenemen in ontwikkelingslanden die de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering hebben geratificeerd, en om technologie over te dragen en de aanpassing aan de negatieve gevolgen van de klimaatverandering in deze landen te vergemakkelijken;
d) maatregelen voor het bevorderen van vastlegging door bosbouw in de Gemeenschap;
e) het milieutechnisch veilig afvangen en de geologische opslag van CO2, met name die welke afkomstig is van met vaste fossiele brandstoffen gestookte elektriciteitscentrales en van een reeks industriële bedrijfstakken en deeltakken, ook in derde landen;
f) het aanmoedigen van het overschakelen op vervoersvormen met een lage emissie en op vormen van openbaar vervoer;
g) de financiering van onderzoek en ontwikkeling inzake energie-efficiëntie en schone technologieën in de sectoren die onder deze richtlijn vallen;
h) maatregelen die tot doel hebben de energie-efficiëntie en isolatie te verbeteren of financiële steun te verlenen voor de aanpak van maatschappelijke aspecten in huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen;
i) de dekking van administratieve uitgaven voor het beheer van de Gemeenschapsregeling.
De lidstaten voldoen aan het in dit lid bepaalde indien zij een fiscaal of financieel steunbeleid hebben en uitvoeren, waaronder met name in ontwikkelingslanden, of nationale reguleringsmaatregelen uitvoeren die financiële steunverlening in de hand werken, dat is opgezet om de in de eerste alinea vermelde doelstellingen te verwezenlijken en dat een waarde heeft die gelijk is aan ten minste 50 % van de opbrengsten uit de in lid 2 bedoelde veilingen van emissierechten, met inbegrip van alle opbrengsten uit de in lid 2, onder b) en c), bedoelde veilingen.
De lidstaten stellen de Commissie in hun krachtens Beschikking nr. 280/2004/EG ingediende verslagen in kennis van het gebruik van opbrengsten en van de uit hoofde van dit lid ondernomen acties.
4. Uiterlijk op 30 juni 2010 stelt de Commissie een verordening vast over de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van veilingen om te zorgen dat deze op een open, transparante, geharmoniseerde en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd. Te dien einde moet dit proces voorspelbaar zijn, met name met betrekking tot het tijdstip en de opeenvolging van veilingen en de geraamde hoeveelheden emissierechten die aangeboden worden.
De veilingen worden zodanig opgezet dat:
a) de exploitanten, en met name eventuele kmo’s die onder de Gemeenschapsregeling vallen, volledige, eerlijke en gelijke toegang krijgen;
b) alle deelnemers op hetzelfde tijdstip toegang hebben tot dezelfde informatie en dat deelnemers het verloop van de veiling niet ondermijnen;
c) de organisatie van en deelname aan veilingen kosteneffectief is en dat onnodige administratieve kosten worden vermeden, en
d) de toegang tot emissierechten wordt toegekend voor kleine emittenten.
Deze maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
De lidstaten brengen verslag uit wat betreft de correcte toepassing van de veilingregels voor elke veiling, met name met betrekking tot de eerlijke en open toegang, transparantie, prijsinformatie en technische en operationele aspecten. Deze verslagen worden uiterlijk één maand na de bedoelde veiling ingediend en gepubliceerd op de website van de Commissie.
5. De Commissie houdt toezicht op de werking van de Europese koolstofmarkt. Elk jaar dient zij een verslag in bij het Europees Parlement en bij de Raad over de werking van de koolstofmarkt, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de veilingen, liquiditeit en verhandelde hoeveelheden. Indien nodig, zorgen de lidstaten ervoor dat alle relevante informatie ten minste twee maanden voor de goedkeuring van het verslag door de Commissie, aan deze laatste wordt doorgegeven.”.
12) De volgende artikelen worden ingevoegd:
„Artikel 10 bis
Overgangsregels voor de hele Gemeenschap voor een geharmoniseerde kosteloze toewijzing
1. De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2010 volledig geharmoniseerde uitvoeringsmaatregelen voor de hele Gemeenschap vast voor het toewijzen van de in de leden 4, 5, 7 en 12 bedoelde emissierechten, alsmede de maatregelen die voor een geharmoniseerde toepassing van lid 19 van dit artikel nodig mochten zijn.
Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen bevatten voor zover mogelijk voor de hele Gemeenschap geldende ex ante benchmarks die waarborgen dat de toewijzing gebeurt op een wijze die de reductie van broeikasgasemissies en het gebruik van energie-efficiënte technieken stimuleert door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocedés, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, energie-efficiënt hergebruik van rookgassen, het gebruik van biomassa en het afvangen en de opslag van CO2, indien de faciliteiten daarvoor beschikbaar zijn, en zetten niet aan tot een toename van de emissie. Er wordt geen kosteloze toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking, behalve in gevallen als bedoeld in artikel 10 quater en voor met rookgassen geproduceerde elektriciteit.
Voor elke bedrijfstak en deeltak wordt de benchmark in principe eerder berekend op basis van het product dan op basis van de inputs, teneinde te zorgen voor een zo groot mogelijke reductie van de broeikasgasemissie en een zo groot mogelijke energiebezuiniging in het hele productieproces van de betrokken bedrijfstak of deeltak.
Bij het bepalen van de grondslagen voor het vaststellen van ex ante benchmarks in afzonderlijke bedrijfstakken en deeltakken, raadpleegt de Commissie de relevante belanghebbenden, met inbegrip van de betrokken bedrijfstakken en deeltakken.
De Commissie toetst, zodra de Gemeenschap haar goedkeuring heeft gehecht aan een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering die verplichte reducties van de emissies van broeikasgassen oplegt die vergelijkbaar zijn met die van de Gemeenschap, deze maatregelen om ervoor te zorgen dat kosteloze toewijzing alleen plaatsvindt wanneer deze in het licht van die overeenkomst volledig gerechtvaardigd is.
2. Bij de vaststellingen van de beginselen voor de bepaling van ex ante benchmarks in afzonderlijke bedrijfstakken of deeltakken wordt uitgegaan van de gemiddelde emissieprestaties van de 10 % meest efficiënte installaties in een bedrijfstak of deeltak in de Gemeenschap gedurende de periode 2007-2008. De Commissie raadpleegt de relevante belanghebbenden, met inbegrip van de betrokken bedrijfstakken en deeltakken.
De overeenkomstig de artikelen 14 en 15 vastgestelde verordeningen zorgen voor geharmoniseerde voorschriften inzake bewaking, rapportage en verificatie van productiegerelateerde broeikasgasemissies, met het oog op de vaststelling van de ex ante benchmarks.
3. Met inachtneming van de leden 4 en 8, en van artikel 10 quater, wordt geen kosteloze toewijzing gegeven aan elektriciteitsopwekkers, installaties voor het afvangen van CO2, pijpleidingen voor het vervoer van CO2 of CO2-opslagplaatsen.
4. Er worden kosteloze toewijzingen gegeven voor stadsverwarming en voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2004/8/EG, voor een economisch aantoonbare vraag, met betrekking tot de productie van warmte of koeling. In elk jaar na 2013 wordt de totale toewijzing aan deze installaties voor de productie van de betrokken warmte aangepast met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor.
5. De maximale jaarlijkse hoeveelheid emissierechten die de basis vormt voor de berekening van toewijzingen aan installaties die niet onder lid 3 vallen en die geen nieuwkomers zijn is niet hoger dan de som van:
a) de jaarlijkse totale hoeveelheid voor de hele Gemeenschap als vastgesteld overeenkomstig artikel 9 vermenigvuldigd met het aandeel van de emissies van installaties die niet onder de lid 3 vallen in het totaal van de gemiddelde geverifieerde emissies in de periode van 2005 tot en met 2007 afkomstig van installaties die in de periode van 2008 tot en met 2012 onder de Gemeenschapsregeling vallen, en
b) het totaal van de gemiddelde jaarlijkse geverifieerde emissies in de periode van 2005 tot en met 2007 van de installaties die pas vanaf 2013 in de Gemeenschapsregeling worden opgenomen en die niet onder lid 3 vallen, aangepast met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor.
Waar nodig wordt een uniforme correctiefactor voor alle bedrijfstakken toegepast.
6. De lidstaten kunnen ook financiële maatregelen vaststellen ten behoeve van bedrijfstakken of deeltakken waarvan wordt vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt ten gevolge van in de elektriciteitsprijzen doorberekende kosten in verband met broeikasgasemissies, ten einde deze kosten te compenseren, en wanneer deze financiële maatregelen in overeenstemming zijn met de ter zake geldende of vast te stellen regels inzake overheidssteun.
Deze maatregelen zijn gebaseerd op ex ante benchmarks voor de indirecte CO2-emissie per geproduceerde eenheid. Deze ex ante benchmarks worden voor een gegeven bedrijfstak of deeltak berekend als het product van het elektriciteitsverbruik per geproduceerde eenheid overeenkomend met de meest efficiënte beschikbare technologieën en de CO2-emissies van de Europese elektriciteitsproductiemix in kwestie.
7. Vijf procent van de overeenkomstig de artikelen 9 en 9 bis over de periode van 2013 tot en met 2020 vastgestelde hoeveelheid emissierechten voor de hele Gemeenschap wordt gereserveerd voor nieuwkomers als de maximale hoeveelheid die overeenkomstig de krachtens lid 1 van dit artikel vastgestelde regels aan nieuwkomers kan worden toegewezen. Emissierechten in deze communautaire reserve die in de periode van 2013 tot en met 2020 niet worden toegewezen aan nieuwkomers noch gebruikt overeenkomstig lid 8, 9 of 10 van dit artikel worden door de lidstaten geveild, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin installaties in lidstaten gebruik hebben kunnen maken van deze reserve, overeenkomstig artikel 10, lid 2, en, voor wat betreft de voorwaarden en tijdstippen, overeenkomstig artikel 10, lid 4, en de desbetreffende gedetailleerde uitvoeringsvoorschriften.
De toewijzingen worden aangepast met de in artikel 9 bedoelde lineaire factor.
Voor elektriciteitsopwekking door nieuwkomers wordt geen kosteloze toewijzing gegeven.
De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2010 geharmoniseerde regels vast voor de toepassing van de definitie van „nieuwkomer”, in het bijzonder voor wat betreft de definitie van „aanzienlijke uitbreiding”.
Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
8. Maximaal 300 miljoen emissierechten in de nieuwkomersreserve zijn in de periode tot 31 december 2015 beschikbaar om het opzetten en exploiteren te helpen stimuleren van maximaal 12 commerciële demonstratieprojecten die zich bezighouden met het milieutechnisch veilig afvangen en geologisch opslaan (CCS) van CO2, alsook voor demonstratieprojecten inzake technologieën voor hernieuwbare energie binnen het grondgebied van de Unie.
De emissierechten worden beschikbaar gesteld ter ondersteuning van demonstratieprojecten die zorgen voor de totstandkoming van een breed, geografisch gezien evenwichtig gespreid gamma koolstofafvang- en -opslagtechnologieën en innovatieve technologieën op het gebied van hernieuwbare energie die economisch gezien nog niet levensvatbaar zijn. De verlening ervan hangt af van de vaststelling dat CO2-emissies daadwerkelijk voorkomen worden.
De projecten worden geselecteerd aan de hand van objectieve en transparante criteria die vereisten inzake kennisdeling omvatten. Deze criteria en de voorschriften worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, en worden ter beschikking van het publiek gesteld.
Er worden emissierechten gereserveerd voor projecten die aan de in de derde alinea bedoelde criteria voldoen. De ondersteuning van deze projecten loopt via de lidstaten en vormt een aanvulling op een aanzienlijke medefinanciering door de exploitant van de installatie. De projecten kunnen, evenals door andere instrumenten, ook door de lidstaten worden medegefinancierd. Voor geen enkel project zal de steun uit hoofde van het in dit lid bepaalde mechanisme meer dan 15 % bedragen van de totale hoeveelheid voor dit doel beschikbare emissierechten. Deze emissierechten worden meegerekend bij de toepassing van lid 7.
9. Litouwen, dat overeenkomstig artikel 1 van het bij de toetredingsakte van 2003 gevoegde protocol nr. 4 betreffende de kerncentrale van Ignalina in Litouwen heeft toegezegd reactor 2 van de kerncentrale van Ignalina uiterlijk op 31 december 2009 te sluiten, heeft, als de totale geverifieerde emissies van Litouwen in de periode van 2013 tot en met 2015 binnen de Gemeenschapsregeling hoger liggen dan de som van de kosteloze emissierechten die zijn verleend aan installaties in Litouwen voor emissies door elektriciteitsproductie in die periode en drie achtsten van de emissierechten die door Litouwen voor de periode van 2013 tot en met 2020 moeten worden geveild, recht op emissierechten uit de nieuwkomersreserve voor veiling overeenkomstig de in artikel 10, lid 4, bedoelde verordening. De maximumhoeveelheid van deze emissierechten is gelijk aan de overmatige emissies in die periode, in zoverre deze overmatige emissies het gevolg zijn van toegenomen emissies door elektriciteitsopwekking, minus de hoeveelheid van de verleende emissierechten in de lidstaat in de periode van 2008 tot en met 2012 die hoger liggen dan de geverifieerde emissies binnen de Gemeenschapsregeling in Litouwen tijdens die periode. Met deze emissierechten wordt rekening gehouden overeenkomstig lid 7.
10. Elke lidstaat waarvan het elektriciteitsnet is verbonden met Litouwen en die in 2007 meer dan 15 % van zijn binnenlandse elektriciteitsverbruik importeerde uit Litouwen voor eigen verbruik, en waar de emissies zijn toegenomen als gevolg van investeringen in nieuwe elektriciteitsopwekking, mag de bepalingen van lid 9 toepassen mutatis mutandis onder de in dat lid vastgestelde voorwaarden.
11. Met inachtneming van artikel 10 ter is de hoeveelheid emissierechten die krachtens de leden 4 tot en met 7 van dit artikel in 2013 kosteloos wordt toegewezen, 80 % van de hoeveelheid die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt vastgesteld. Vervolgens wordt de kosteloze toewijzing elk jaar met gelijke hoeveelheden verlaagd, zodat er in 2020 30 % kosteloze toewijzing is, met als doel geen kosteloze toewijzing meer in 2027.
12. Onder voorbehoud van artikel 10 ter worden in 2013 en in elk daaropvolgend jaar tot en met 2020, overeenkomstig lid 1, aan installaties in bedrijfstakken of deeltakken waar een significant risico op het weglekeffect bestaat, kosteloos emissierechten toegewezen voor 100 % van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde maatregelen.
13. Uiterlijk op 31 december 2009 en daarna om de vijf jaar stelt de Commissie, na een bespreking in de Europese Raad, op basis van de in de leden 14 tot en met 17 vermelde criteria een lijst van de in lid 12 bedoelde bedrijfstakken of deeltakken vast.
Elk jaar kan de Commissie op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat een bedrijfstak of deeltak toevoegen aan de in de eerste alinea bedoelde lijst, mits in een analytisch verslag kan worden aangetoond dat deze bedrijfstak of deeltak voldoet aan de criteria van de leden 14 tot en met 17 als gevolg van een verandering die aanmerkelijke gevolgen heeft voor de activiteiten van de betrokken bedrijfstak of deeltak.
Voor de doeleinden van de toepassing van dit artikel raadpleegt de Commissie de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken of deeltakken, en andere belanghebbenden.
Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
14. Met het oog op de vaststelling van de in lid 12 bedoelde bedrijfstakken of deeltakken beoordeelt de Commissie op Gemeenschapsniveau de mate waarin de betrokken bedrijfstak of deeltak, op het relevante aggregatieniveau, de kosten van de vereiste emissierechten en de indirecte kosten van hogere elektriciteitsprijzen die het gevolg zijn van deze richtlijn kan doorberekenen in de productprijzen zonder een significant verlies van marktaandeel aan minder koolstofefficiënte installaties buiten de Gemeenschap. Deze beoordelingen steunen op een gemiddelde koolstofprijs overeenkomstig de effectbeoordeling van de Commissie bij het pakket uitvoeringsbepalingen voor de EU-doelstellingen inzake klimaatverandering en hernieuwbare energie voor 2020 en, indien beschikbaar, gegevens betreffende handel, productie en toegevoegde waarde over de drie recentste jaren voor elke bedrijfstak of deeltak.
15. Een bedrijfstak of deeltak wordt geacht te zijn blootgesteld aan een significant weglekrisico indien:
a) de som van de directe en indirecte extra kosten die het gevolg zijn van de toepassing van deze richtlijn tot een aanzienlijke stijging van de productiekosten zouden leiden, berekend als een deel, ten minste 5 %, van de bruto toegevoegde waarde, en
b) de intensiteit van de handel met derde landen, gedefinieerd als de verhouding tussen de totale waarde van de uitvoer naar derde landen plus de waarde van de invoer uit derde landen en de totale marktomvang voor de Gemeenschap (jaaromzet plus totale invoer uit derde landen) hoger is dan 10 %.
16. Onverminderd lid 15 wordt een bedrijfstak of deeltak ook geacht te zijn blootgesteld aan een significant weglekrisico indien:
a) de som van de directe en indirecte extra kosten die het gevolg zijn van de toepassing van deze richtlijn tot een aanzienlijke stijging van de productiekosten zouden leiden, berekend als een deel, ten minste 30 %, van de bruto toegevoegde waarde; of
b) de intensiteit van de handel met derde landen, gedefinieerd als de verhouding tussen de totale waarde van de uitvoer naar derde landen plus de waarde van de invoer uit derde landen en de totale marktomvang voor de Gemeenschap (jaaromzet plus totale invoer uit derde landen) hoger is dan 30 %.
17. De in lid 13 bedoelde lijst kan worden aangevuld na voltooiing van een kwalitatieve beoordeling waarbij, indien de desbetreffende gegevens beschikbaar zijn, rekening wordt gehouden met de volgende criteria:
a) de mate waarin individuele installaties in de betrokken bedrijfstak of deeltak hun emissieniveau of elektriciteitsverbruik kunnen verlagen, daarbij zo nodig de stijging van de productiekosten in aanmerking nemend die de daarmee samenhangende investeringen kunnen meebrengen, bijvoorbeeld op basis van de meest efficiënte technieken;
b) de huidige en verwachte marktstructuur, inclusief wanneer de blootstelling aan handel of de directe en indirecte kostenstijgingscijfers dichtbij een van de in artikel 16 genoemde drempelwaarden liggen;
c) winstmarges als een potentiële indicator van beslissingen inzake langetermijninvestering of verplaatsing.
18. De in lid 13 bedoelde lijst wordt vastgesteld na rekening te hebben gehouden met, indien er relevante gegevens beschikbaar zijn, het volgende:
a) de mate waarin derde landen, die een doorslaggevend aandeel vertegenwoordigen in de wereldwijde productie van producten in bedrijfstakken of deeltakken waarvoor het weglekeffect een significante risicofactor vormt, zich er uitdrukkelijk toe verplichten hun broeikasgasemissies in de betrokken bedrijfstakken of deeltakken te reduceren, in een met de Gemeenschap vergelijkbare mate en binnen hetzelfde tijdsraam, en
b) de mate waarin de koolstofefficiëntie van in die landen gelegen installaties vergelijkbaar is met die in de Gemeenschap.
19. Er worden geen kosteloze toewijzingen verstrekt aan installaties waarvan de werking beëindigd is, tenzij de exploitant aan de bevoegde autoriteit aantoont dat de productie binnen een concrete en redelijke termijn zal worden hervat. Van installaties waarvoor de broeikasgasemissievergunning is verstreken of is ingetrokken en installaties die technisch gezien niet meer kunnen werken of in werking kunnen worden gesteld, wordt de werking geacht beëindigd te zijn.
20. De Commissie neemt, als onderdeel van de krachtens lid 1, vastgestelde maatregelen, bepalingen op om installaties te definiëren die gedeeltelijk of tijdelijk uit bedrijf worden genomen of die hun capaciteit aanzienlijk verminderen, alsook bepalingen om indien nodig de hoeveelheid kosteloos aan die installaties verstrekte emissierechten dienovereenkomstig aan te passen.
Artikel 10 ter
Maatregelen ter ondersteuning van bepaalde energie-intensieve industrieën in geval van koolstoflekkage
1. Uiterlijk op 30 juni 2010 dient de Commissie in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen en de mate waarin deze leiden tot een mondiale beperking van de emissie van broeikasgassen, na raadpleging van alle betrokken maatschappelijke partners, een analytisch verslag bij het Europees Parlement en bij de Raad in met een beoordeling van de situatie ten aanzien van energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken waarvan is vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt. Samen met dat verslag worden passende voorstellen ingediend, zoals bijvoorbeeld:
a) een aanpassing van het percentage emissierechten dat krachtens artikel 10 bis kosteloos door deze bedrijfstakken of deeltakken wordt ontvangen;
b) de opneming in de Gemeenschapsregeling van importeurs van producten die worden geproduceerd door de overeenkomstig artikel 10 bis vastgestelde sectoren of deelsectoren
c) een beoordeling van de impact van het weglekeffect op de continuïteit van de energievoorziening van de lidstaten, in het bijzonder waar de elektriciteitsverbindingen met de rest van de Unie ontoereikend zijn en waar er elektriciteitsverbindingen zijn met derde landen, en adequate voorstellen met betrekking tot deze kwestie.
Bij de beoordeling welke maatregelen in aanmerking komen, wordt ook rekening gehouden met bindende sectorale overeenkomsten die leiden tot een mondiale broeikasgasemissiebeperking die een omvang heeft die nodig is om klimaatverandering effectief aan te pakken, die te bewaken en te verifiëren zijn en waarvoor verplichte handhavingsregelingen bestaan.
2. De Commissie beoordeelt uiterlijk op 31 maart 2011 of de besluiten die zijn genomen over het percentage emissierechten dat door bedrijfstakken of deeltakken kosteloos wordt ontvangen overeenkomstig lid 1, inclusief het effect van de bepaling van ex ante benchmarks overeenkomstig artikel 10 bis, lid 2, waarschijnlijk significante gevolgen zullen hebben voor de hoeveelheid emissierechten die door de lidstaten dienen te worden geveild overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder b), in vergelijking met een scenario met volledige veiling voor alle bedrijfstakken in 2020. Indien nodig dient zij bij het Europees Parlement en bij de Raad passende voorstellen in, rekening houdend met de mogelijke verdelingseffecten van deze voorstellen.
Artikel 10 quater
Voorlopige kosteloze toewijzing voor de modernisering van de elektriciteitsopwekking
1. In afwijking van artikel 10 bis, leden 1 tot en met 5, kunnen de lidstaten een voorlopige kosteloze toewijzing geven aan installaties voor elektriciteitsproductie die op 31 december 2008 in werking zijn of aan installaties voor elektriciteitsproductie waarvoor het investeringsproces op deze datum fysiek was geïnitieerd, indien aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) het nationale elektriciteitsnet was in 2007 niet direct of indirect aangesloten op het door de Unie voor de coördinatie van de transmissie van elektriciteit (UCTE) geëxploiteerde netwerk;
b) het nationale elektriciteitsnet was in 2007 slechts direct of indirect aangesloten op het door de UCTE geëxploiteerde netwerk via één lijn met een capaciteit van minder dan 400 MW;
c) in 2006 werd meer dan 30 % van de elektriciteit opgewekt met één fossiele brandstof en bedroeg het bbp per hoofd van de bevolking tegen marktprijzen niet meer dan 50 % van het gemiddelde bbp per hoofd van de bevolking tegen marktprijzen van de Gemeenschap.
De betrokken lidstaat legt de Commissie een nationaal plan voor dat voorziet in investeringen in de aanpassing en modernisering van de infrastructuur en schone technologieën. Het nationale plan voorziet ook in de diversificatie van de energiemix en de bevoorradingsbronnen van de lidstaat, voor een bedrag dat in de mate van het mogelijke gelijk is aan de marktwaarde van de kosteloze toewijzing, met betrekking tot de voorgenomen investeringen, rekening houdend met het feit dat prijsstijgingen als rechtstreeks gevolg hiervan zo veel mogelijk moeten worden beperkt. De betrokken lidstaat legt de Commissie elk jaar een verslag voor over de investeringen die zijn gedaan in de modernisering van de infrastructuur en schone technologieën. Investeringen die na 25 juni 2009 worden verricht, kunnen hierbij worden meegerekend.
2. Voorlopige kosteloze toewijzingen worden afgetrokken van de hoeveelheid emissierechten die de betrokken lidstaat anders overeenkomstig artikel 10, lid 2, zou veilen. In 2013 zal de voorlopige kosteloze toewijzing in totaal niet meer bedragen dan 70 % van de gemiddelde jaarlijkse geverifieerde emissies in de periode van 2005 tot en met 2007 van dergelijke elektriciteitsproducenten voor de hoeveelheid die overeenkomt met het bruto nationale eindverbruik van de betrokken lidstaat; zij wordt geleidelijk verlaagd, zodat er in 2020 geen kosteloze toewijzingen meer plaatsvinden. De emissies van de lidstaten die in 2005 niet aan de Gemeenschapsregeling hebben deelgenomen, worden berekend aan de hand van hun geverifieerde emissie krachtens de Gemeenschapsregeling in 2007.
De betrokken lidstaat mag besluiten dat de overeenkomstig dit artikel gegeven toewijzingen slechts mogen worden gebruikt door de exploitant van de installatie tegen inlevering van overeenkomstig artikel 12, lid 3, afgegeven emissierechten voor de emissies van dezelfde installatie gedurende het jaar waarvoor de toewijzingen worden gegeven.
3. Toewijzingen aan exploitanten zijn gebaseerd op de geverifieerde emissies in de periode van 2005 tot en met2007 of op een ex ante efficiency benchmark, gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de emissieniveaus van de meest broeikasgasefficiënte elektriciteitsproductie die valt onder de Gemeenschapsregeling voor installaties die verschillende brandstoffen gebruiken. Bij de weging kunnen de aandelen van de diverse brandstoffen in de elektriciteitsproductie in de betrokken lidstaat in aanmerking worden genomen. De Commissie zal volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingprocedure richtsnoeren verstrekken om ervoor te zorgen dat bij de toewijzingsmethoden onnodige concurrentieverstoring wordt voorkomen en negatieve effecten op de stimulansen voor emissiereducties zo veel mogelijk worden beperkt.
4. Lidstaten die gebruikmaken van dit artikel, eisen van de begunstigde elektriciteitsproducenten en netwerkexploitanten dat zij jaarlijks verslag uitbrengen over de uitvoering van de in het nationale plan vermelde investeringen. De lidstaten brengen hierover verslag uit aan de Commissie en maken dit verslag openbaar.
5. Lidstaten die voornemens zijn uit hoofde van dit artikel emissierechten toe te wijzen, dienen uiterlijk op 30 september 2011 een aanvraag in bij de Commissie, waarin zij de voorgestelde toewijzingsmethode en de afzonderlijke toewijzingen vermelden. Een aanvraag moet het volgende bevatten:
a) bewijs dat de lidstaat voldoet aan ten minste een van de in lid 1 vastgestelde voorwaarden;
b) een lijst van installaties waarop de aanvraag betrekking heeft en de hoeveelheid aan elke installatie toe te wijzen emissierechten, overeenkomstig lid 3 en de richtsnoeren van de Commissie;
c) het in lid 1, tweede alinea, bedoelde nationale plan;
d) bewakings- en handhavingsvoorschriften met betrekking tot de voorgenomen investeringen krachtens het nationale plan;
e) informatie waaruit blijkt dat de rechten geen oneerlijke concurrentieverstoringen veroorzaken.
6. De Commissie beoordeelt de aanvraag op grond van de in lid 5 genoemde elementen en kan de aanvraag of elk onderdeel daarvan afwijzen binnen zes maanden na de ontvangst van de relevante informatie.
7. Twee jaar voor het einde van de periode waarin een lidstaat installaties voor elektriciteitsproductie die uiterlijk op 31 december 2008 in werking zijn, een voorlopige kosteloze toewijzing mag geven, beoordeelt de Commissie de vooruitgang die met betrekking tot de uitvoering van het nationale plan is geboekt. Als zij op verzoek van de lidstaat in kwestie van mening is dat er behoefte aan een mogelijke verlenging van de periode is, kan zij bij het Europees Parlement en bij de Raad adequate voorstellen indienen, inclusief de voorwaarden waaraan in geval van een verlenging van de periode moet worden voldaan.”.
13) De artikelen 11 en 11 bis worden vervangen door:
„Artikel 11
Nationale uitvoeringsmaatregelen
1. Elke lidstaat publiceert en verstrekt de Commissie uiterlijk op 30 september 2011 de lijst met installaties op zijn grondgebied die onder deze richtlijn vallen en alle kosteloze toewijzingen aan elke installatie op zijn grondgebied, berekend overeenkomstig de in artikel 10 bis, lid 1, en artikel 10 quater bedoelde regels.
2. Uiterlijk op 28 februari van elk jaar verlenen de bevoegde autoriteiten de hoeveelheid emissierechten die voor dat jaar dienen te worden verdeeld, berekend overeenkomstig de artikelen 10, 10 bis en 10 quater.
3. De lidstaten mogen geen kosteloze toewijzingen overeenkomstig lid 2 verlenen aan installaties waarvan opneming in de in lid 1 bedoelde lijst door de Commissie is geweigerd.
Artikel 11 bis
Gebruik van CER’s en ERU’s uit projectactiviteiten in de Gemeenschapsregeling vóór de inwerkingtreding van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering
1. De leden 2 tot en met 7 van het onderhavige artikel zijn van toepassing, onverminderd de toepassing van artikel 28, leden 3 en 4.
2. Voor zover de door de lidstaten aan exploitanten of vliegtuigexploitanten toegestane mate van gebruik van CER’s en ERU’s voor de periode van 2008 tot en met 2012 niet volledig benut is of een recht op het gebruik van kredieten krachtens lid 8 is toegekend, kunnen exploitanten de bevoegde autoriteit verzoeken hun in ruil voor CER’s en ERU’s die zijn verleend voor emissiereducties tot en met 2012 uit soorten projecten die in de periode van 2008 tot en met 2012 in aanmerking kwamen voor gebruik in de Gemeenschapsregeling, de emissierechten te verlenen die met ingang van 2013 geldig zijn.
Tot 31 maart 2015 voert de bevoegde autoriteit een dergelijke ruil op verzoek uit.
3. Voor zover de door de lidstaten aan de exploitanten of vliegtuigexploitanten toegestane mate van gebruik van CER’s en ERU’s voor de periode van 2008 tot en met 2012 niet volledig benut is of een recht op het gebruik van kredieten krachtens lid 8 is toegekend, staan de bevoegde autoriteiten de exploitanten toe reeds verleende CER’s en ERU’s uit projecten die vóór 2013 zijn geregistreerd met het oog op emissiereducties vanaf 2013, in te ruilen voor emissierechten die met ingang van 2013 geldig zijn.
De eerste alinea geldt voor alle CER’s en ERU’s die in de periode van 2008 tot en met 2012 in aanmerking kwamen voor gebruik in de Gemeenschapsregeling.
4. Voor zover de door de lidstaten aan de exploitanten of vliegtuigexploitanten toegestane mate van gebruik van CER’s en ERU’s voor de periode van 2008 tot en met 2012 niet volledig benut is of een recht op het gebruik van kredieten krachtens lid 8 is toegekend, staan de bevoegde autoriteiten de exploitanten toe met het oog op emissiereductie met ingang van 2013 verleende CER’s in te ruilen voor emissierechten uit nieuwe projecten die met ingang van 2013 in de MOL’s van start gaan.
De eerste alinea geldt voor CER’s voor alle soorten projecten die in de periode van 2008 tot en met 2012 in aanmerking kwamen voor gebruik in de Gemeenschapsregeling, totdat deze landen een desbetreffende overeenkomst met de Gemeenschap hebben bekrachtigd, maar uiterlijk tot 2020.
5. Voor zover de door de lidstaten aan de exploitanten of vliegtuigexploitanten toegestane mate van gebruik van CER’s en ERU’s voor de periode van 2008 tot en met 2012 niet volledig benut is of een recht op het gebruik van kredieten krachtens lid 8 is toegekend, en indien de onderhandelingen over een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering niet uiterlijk op 31 december 2009 zijn afgerond, kunnen kredieten uit projecten of andere emissiereducerende activiteiten overeenkomstig met derde landen gesloten overeenkomsten in de Gemeenschapsregeling worden gebruikt, waarbij de mate van gebruik wordt gespecificeerd. Overeenkomstig deze overeenkomsten kunnen de exploitanten kredieten uit projectactiviteiten in deze derde landen gebruiken om aan hun verplichtingen uit hoofde van de Gemeenschapsregeling te voldoen.
6. In lid 5 bedoelde overeenkomsten regelen het gebruik in de Gemeenschapsregeling van kredieten uit soorten projecten die in de periode van 2008 tot 2012 in aanmerking kwamen voor gebruik in de Gemeenschapsregeling, onder andere technologieën voor duurzame energie of energie-efficiëntie die overdracht van technologie en duurzame ontwikkeling stimuleren. Een dergelijke overeenkomst kan ook het gebruik regelen van kredieten uit projecten waarbij het gebruikte referentieniveau lager ligt dan het niveau van de kosteloze toewijzing krachtens de in artikel 10 bis bedoelde maatregelen of lager dan het niveau dat krachtens de communautaire wetgeving wordt vereist.
7. Zodra een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering tot stand is gekomen, worden alleen kredieten van projecten uit derde landen die deze overeenkomst hebben bekrachtigd, met ingang van 1 januari 2013 in de Gemeenschapsregeling geaccepteerd.
8. Alle bestaande exploitanten wordt toegestaan gedurende de periode van 2008 tot 2020 kredieten te gebruiken tot de hoeveelheid die hun was toegewezen gedurende het tijdvak van 2008 tot en met 2012, dan wel, als die groter is, tot een hoeveelheid die overeenkomt met een percentage dat niet lager zal zijn dan 11 % van hun toewijzing gedurende de periode van 2008 tot en met 2012.
De exploitanten kunnen kredieten boven de in de eerste alinea bedoelde 11 % gebruiken tot een hoeveelheid waarmee de gecombineerde kosteloze toewijzing in de periode van 2008 tot en met 2012 en de totale hoeveelheid projectkredieten waarop zij recht hebben gelijk is aan een bepaald percentage van hun geverifieerde emissies in de periode van 2005 tot en met 2007.
Nieuwkomers, met inbegrip van nieuwkomers in de periode van 2008 tot en met 2012 die noch kosteloze toewijzing, noch rechten op het gebruik van CER’s en ERU’s hebben gekregen in de periode van 2008 tot en met 2012, en nieuwe bedrijfstakken kunnen kredieten gebruiken tot een hoeveelheid die overeenkomt met een percentage dat niet lager zal zijn dan 4,5 % van hun geverifieerde emissies gedurende de periode van 2013 tot en met 2020. Vliegtuigexploitanten kunnen kredieten gebruiken tot een hoeveelheid die overeenkomt met een percentage dat niet lager zal zijn dan 1,5 %, van hun geverifieerde emissies gedurende de periode van 2013 tot en met 2020.
Er worden maatregelen vastgesteld om het exacte percentage dat voor de eerste, tweede en derde alinea’s van toepassing is, te specificeren. Ten minste een derde van de bijkomende onder de bestaande exploitanten te verdelen hoeveelheid boven het eerste percentage dat in de eerste alinea wordt genoemd, wordt verdeeld onder de exploitanten die gedurende de periode van 2008 tot en met 2012 gecombineerd het laagste gemiddelde niveau van kosteloze toewijzing en projectkredietgebruik hadden.
Deze maatregelen zorgen ervoor dat het totale gebruik van toegestane kredieten niet meer bedraagt dan 50 % van de Gemeenschapswijde reducties beneden de niveaus van 2005 van de bestaande bedrijfstakken krachtens de Gemeenschapsregeling gedurende de periode van 2008 tot en met 2020, en 50 % van de Gemeenschapswijde reducties beneden de niveaus van 2005 van nieuwe bedrijfstakken en de luchtvaart vanaf de datum van hun opname in de Gemeenschapsregeling tot en met 2020.
Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
9. Met ingang van 1 januari 2013 kunnen maatregelen worden toegepast om het gebruik van specifieke van soorten projecten afkomstige kredieten te beperken.
Deze maatregelen omvatten ook de datum met ingang waarvan het gebruik van kredieten krachtens de leden 1 tot en met 4 in overeenstemming moet zijn met deze maatregelen. Deze datum is op zijn vroegst zes maanden na de vaststelling van de maatregelen of op zijn laatst drie jaar na de vaststelling ervan.
Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. De Commissie overweegt het comité een ontwerp van de te nemen maatregelen voor te leggen, wanneer een lidstaat daarom verzoekt.”.
14) Aan artikel 11 ter, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:
„De Gemeenschap en haar lidstaten geven alleen toestemming voor projectactiviteiten wanneer alle deelnemers aan het project hun hoofdkwartier hebben in een land dat de internationale overeenkomst inzake dergelijke projecten heeft gesloten of in een land of subfederale of regionale entiteit die overeenkomstig artikel 25 aan de Gemeenschapsregeling is gekoppeld.”.
15) Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
a) het volgende lid wordt ingevoegd:
„1 bis. De Commissie onderzoekt uiterlijk op 31 december 2010 of de markt voor emissierechten voldoende beschermd is tegen handel met voorkennis of marktmanipulatie, en dient zo nodig voorstellen in om dergelijke bescherming te waarborgen. De relevante voorschriften van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake handel met voorkennis en marktmanipulatie (marktmisbruik) (*1) kunnen worden toegepast, met de nodige aanpassingen voor de toepassing op de goederenhandel.
(*1) PB L 96 van 12.4.2003, blz. 16.”;"
b) het volgende lid wordt ingevoegd:
„3 bis. Voor emissies die worden afgevangen en vervoerd voor permanente opslag in een installatie die een vergunning heeft overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de geologische opslag van koolstofdioxide, ontstaat geen verplichting om emissierechten in te leveren (*2).
(*2) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114.”;"
c) het volgende lid wordt toegevoegd:
„5. De leden 1 en 2 zijn van toepassing onverminderd de bepalingen van artikel 10 quater.”.
16) Artikel 13 wordt vervangen door:
„Artikel 13
Geldigheid van emissierechten
1. Emissierechten die met ingang van 1 januari 2013 worden verleend, zijn geldig voor emissies gedurende perioden van acht jaar die beginnen op 1 januari 2013.
2. Vier maanden na het begin van elke in lid 1 bedoelde periode worden emissierechten die niet meer geldig zijn en niet overeenkomstig artikel 12 zijn ingeleverd en geannuleerd, door de bevoegde autoriteit geannuleerd.
De lidstaten kunnen personen emissierechten verlenen voor de lopende periode ter vervanging van emissierechten die zij bezaten en welke krachtens de eerste alinea zijn geannuleerd.”.
17) Artikel 14 wordt vervangen door:
„Artikel 14
Bewaking en rapportage van emissie
1. De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2011 een verordening vast voor de bewaking en rapportage van emissies en indien van toepassing activiteitsgegevens ten gevolge van de in bijlage I vermelde activiteiten, voor de bewaking en rapportage van ton-kilometergegevens voor het doel van een toepassing zoals bedoeld in artikel 3 sexies of 3 septies, die wordt gebaseerd op de in bijlage IV vermelde beginselen voor bewaking en rapportage en waarin het aardopwarmingsvermogen van elk broeikasgas in de vereisten voor de bewaking en rapportage van emissie voor dat gas wordt gespecificeerd.
Deze maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
2. De in lid 1 bedoelde verordening houdt rekening met het meest nauwkeurige en actuele beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal, met name van de IPCC, en kan ook eisen specificeren voor de rapportage door exploitanten over de emissies bij de productie van goederen die worden geproduceerd door energie-intensieve bedrijfstakken die aan internationale concurrentie onderhevig kunnen zijn. Deze verordening kan ook voorschriften voor een onafhankelijke verificatie van deze informatie bepalen.
Deze voorschriften kunnen mede betrekking hebben op het rapporteren van emissieniveaus ten gevolge van onder de Gemeenschapsregeling vallende elektriciteitsopwekking bij de productie van dergelijke goederen.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat elke exploitant van een installatie of vliegtuigexploitant de emissies die gedurende elk kalenderjaar door die installatie, of, met ingang van 1 januari 2010, door het vliegtuig plaatsvindt, overeenkomstig de in lid 1 bedoelde verordening bewaakt en hierover na het eind van dat jaar aan de bevoegde autoriteit rapporteert.
4. De in lid 1 bedoelde verordening kan eisen bevatten met betrekking tot het gebruik van geautomatiseerde systemen en gegevensuitwisselingsformats met het oog op harmonisatie van de communicatie over het monitoringplan, het jaarlijkse emissieverslag en de verificatieactiviteiten tussen de exploitant, de verificateur en de bevoegde autoriteiten.”.
18) Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
a) de titel komt als volgt te luiden:
„Verificatie en accreditatie”;
b) de volgende alinea’s worden toegevoegd:
„De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2011 een verordening vast voor de verificatie van emissieverslagen op basis van de in bijlage V vermelde beginselen en voor de accreditatie van en het toezicht op verificateurs. In deze verordening worden in voorkomend geval de voorwaarden vastgesteld voor de accreditatie en intrekking van accreditatie, wederzijdse erkenning en collegiaal toezicht op accreditatie-instanties.
Deze maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.
19) Het volgende artikel wordt ingevoegd:
„Artikel 15 bis
Openbaarmaking van informatie en beroepsgeheim
De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat alle besluiten en verslagen die verband houden met de hoeveelheid emissierechten en de toewijzing ervan en met de bewaking, rapportage en verificatie van emissies onverwijld openbaar worden gemaakt op een passende wijze die zorgt voor toegang op niet-discriminerende basis.
Informatie die onder het beroepsgeheim valt mag niet openbaar worden gemaakt aan andere personen of autoriteiten, tenzij op grond van de toepasselijke wettelijke, bestuursrechtelijke of administratieve bepalingen.”.
20) Artikel 16, lid 4, wordt vervangen door:
„4. De boete wegens overmatige emissies in verband met emissierechten die met ingang van 1 januari 2013 worden verleend, wordt overeenkomstig het Europese indexcijfer van de consumptieprijzen verhoogd.”.
21) Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 1 wordt vervangen door:
„1. Met ingang van 1 januari 2012 verleende emissierechten worden in het register van de Gemeenschap opgenomen voor de uitvoering van processen met betrekking tot het bijhouden van in de lidstaten geopende tegoedrekeningen en het toewijzen, inleveren en annuleren van toewijzingen overeenkomstig de in lid 3 bedoelde verordening van de Commissie.
Elke lidstaat is in staat de krachtens het Klimaatverdrag of het Protocol van Kyoto toegestane werkzaamheden uit te voeren.”;
b) het volgende lid wordt toegevoegd:
„4. De in lid 3 bedoelde verordening bevat passende bepalingen inzake het uitvoeren door het register van de Gemeenschap van transacties en andere activiteiten ter uitvoering van de in artikel 25, lid 1 ter, bedoelde regelingen. In deze verordening worden ook procedures opgenomen voor het beheer, ten behoeve van het register van de Gemeenschap, van ruiltransacties en incidenten met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde aangelegenheden. De verordening bevat passende bepalingen inzake het waarborgen door het register van de Gemeenschap dat de lidstaten initiatieven kunnen nemen inzake efficiencyverbetering, het beheer van de administratiekosten en maatregelen inzake kwaliteitscontrole.”.
22) Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:
a) in lid 1 wordt de tweede zin vervangen door:
„In dit verslag wordt bijzondere aandacht besteed aan de regelingen voor de toewijzing van emissierechten, aan het functioneren van de registers, aan de toepassing van de uitvoeringsmaatregelen inzake bewaking en rapportage, verificatie en accreditatie, en aan aangelegenheden die verband houden met de naleving van deze richtlijn, alsmede aan de fiscale behandeling van emissierechten, indien van toepassing.”;
b) lid 3 wordt vervangen door:
„3. De Commissie organiseert een uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van ontwikkelingen in verband met vraagstukken betreffende toewijzing, het gebruik van ERU’s en CER’s in de Gemeenschapsregeling, het functioneren van registers, bewaking, rapportage, verificatie, accreditatie, informatietechnologie en naleving van deze richtlijn.”.
23) Artikel 22 wordt vervangen door:
„Artikel 22
Amendementen op de bijlagen
De bijlagen van deze richtlijn, met uitzondering van de bijlagen I, II bis en II ter, kunnen worden gewijzigd in het licht van de in artikel 21 bedoelde verslagen en de ervaring met de toepassing van deze richtlijn. De bijlagen IV en V kunnen worden gewijzigd teneinde de bewaking, de rapportage en de verificatie van de emissies te verbeteren.
Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, onder meer door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.
24) Aan artikel 23 wordt het volgende lid toegevoegd:
„4. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.”.
25) Artikel 24 wordt vervangen door:
„Artikel 24
Procedures voor de unilaterale opneming van verdere activiteiten en gassen
1. Vanaf 2008 mogen de lidstaten handel in emissierechten overeenkomstig deze richtlijn toepassen op in bijlage I niet genoemde activiteiten en broeikasgassen, met inachtneming van alle relevante criteria, in het bijzonder de effecten op de interne markt, mogelijke concurrentieverstoringen, de milieu-integriteit van de Gemeenschapsregeling en de betrouwbaarheid van het geplande bewakings- en rapportagesysteem, op voorwaarde dat de opneming van dergelijke activiteiten en broeikasgassen door de Commissie wordt goedgekeurd:
a) volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure, voor in bijlage I niet genoemde installaties, of
b) volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, voor in bijlage I niet genoemde activiteiten en broeikasgassen. Deze maatregelen beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen.
2. Wanneer de opneming van verdere activiteiten en gassen wordt goedgekeurd, kan de Commissie tegelijkertijd de verlening van aanvullende emissierechten toestaan en kan zij andere lidstaten machtigen om deze verdere activiteiten en gassen op te nemen.
3. Op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat kan een verordening worden vastgesteld inzake de bewaking van en rapportage over emissies in verband met activiteiten, installaties en broeikasgassen die niet in combinatie in bijlage I voorkomen, mits deze bewaking en rapportage met voldoende nauwkeurigheid kunnen worden uitgevoerd.
Deze maatregel, die beoogt niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.”.
26) Het volgende artikel wordt ingevoegd:
„Artikel 24 bis
Geharmoniseerde regels voor projecten die de emissies verlagen
1. Naast de in artikel 24 bedoelde opneming kunnen uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld voor het verlenen van emissierechten of kredieten voor door de lidstaten beheerde projecten die de emissie van broeikasgassen die niet onder de Gemeenschapsregeling vallen, verlagen.
Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
Dergelijke maatregelen mogen niet leiden tot het dubbel tellen van emissiereducties en geen belemmering vormen voor de uitvoering van andere beleidsmaatregelen voor de reductie van emissies die niet onder de Gemeenschapsregeling vallen. Maatregelen worden uitsluitend vastgesteld wanneer opneming overeenkomstig artikel 24 niet mogelijk is en bij de eerstvolgende herziening van de Gemeenschapsregeling wordt overwogen de werkingssfeer voor deze emissies over de hele Gemeenschap te harmoniseren.
2. Er kunnen uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld met gedetailleerde bepalingen voor de verlening van emissierechten aan de in lid 1 bedoelde projecten op communautair niveau.
Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
3. Een lidstaat kan weigeren emissierechten of kredieten te verlenen voor bepaalde soorten projecten die broeikasgasemissies op zijn grondgebied reduceren.
Dergelijke projecten zullen worden uitgevoerd op basis van een overeenkomst met de lidstaat op wiens grondgebied het project plaatsvindt.”.
27) In artikel 25 worden de volgende leden ingevoegd:
„1 bis. Er kunnen overeenkomsten worden gesloten om te zorgen voor de erkenning van emissierechten tussen de Gemeenschapsregeling en verenigbare verplichte regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten met absolute emissieplafonds die in een ander land of in een subfederale of regionale entiteit worden vastgesteld.
1 ter. Er kunnen met derde landen of met subfederale of regionale entiteiten niet-bindende regelingen worden getroffen voor administratieve en technische coördinatie in verband met emissierechten in de Gemeenschapsregeling of andere verplichte regelingen voor de handel in broeikasgasemissierechten met absolute emissieplafonds.”.
28) De artikelen 27, 28 en 29 komen als volgt te luiden:
„Artikel 27
Uitsluiting van kleine installaties onder voorbehoud van gelijkwaardige maatregelen
1. De lidstaten kunnen, na overleg met de exploitant, installaties met een in elk van de drie jaren voorafgaand aan de onder a) bedoelde melding bij de bevoegde autoriteiten gerapporteerde emissies van minder dan 25 000 t CO2-equivalent en, wanneer zij verbrandingsactiviteiten verrichten, een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 35 MW hebben, emissies uit biomassa niet meegerekend, waarvoor maatregelen gelden die voor een gelijkwaardige bijdrage tot emissiereductie zullen zorgen, van de Gemeenschapsregeling uitsluiten als de betrokken lidstaat aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) hij meldt al deze installaties bij de Commissie aan, waarbij de maatregelen worden vermeld die van toepassing zijn op die installatie die een gelijkwaardige bijdrage zullen leveren tot de geldende emissiereducties, voordat de lijst van installaties krachtens artikel 11, lid 1, wordt ingediend en ten laatste wanneer deze lijst bij de Commissie wordt ingediend;
b) hij bevestigt dat er een bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 25 000 t of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend. De lidstaten kunnen vereenvoudigde maatregelen inzake bewaking, rapportage en verificatie toestaan voor installaties met een gemiddelde geverifieerde emissies van minder dan 5 000 t per jaar tussen 2008 en 2010, overeenkomstig artikel 14;
c) hij bevestigt dat een installatie, indien deze in enig kalenderjaar 25 000 t of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend, of, indien de maatregelen die van toepassing zijn op die installatie die een gelijkwaardige bijdrage zullen leveren tot de geldende emissiereducties niet langer van toepassing zijn, weer in de Gemeenschapsregeling zal worden opgenomen;
d) hij publiceert de onder a), b) en c) bedoelde informatie, zodat het publiek opmerkingen kan maken.
Ziekenhuizen kunnen ook worden uitgesloten indien zij gelijkwaardige maatregelen treffen.
2. Indien de Commissie na een periode van drie maanden, gerekend vanaf de datum van kennisgeving voor opmerkingen van het publiek, niet binnen een bijkomende periode van zes maanden bezwaar heeft aangetekend, wordt de uitsluiting geacht te zijn goedgekeurd.
Na de inlevering van de emissierechten voor de periode gedurende welke de installatie in de Gemeenschapsregeling is opgenomen, wordt de installatie uitgesloten en verleent de lidstaat geen kosteloze emissierechten meer aan de installatie overeenkomstig artikel 10 bis.
3. Wanneer een installatie krachtens lid 1, onder c), weer in de Gemeenschapsregeling wordt opgenomen, worden alle overeenkomstig artikel 10 bis toegewezen emissierechten verleend met ingang van het jaar van wederopneming. Voor deze installaties verleende emissierechten worden door de lidstaat waarin de installatie gelegen is, afgetrokken van de overeenkomstig artikel 10, lid 2, te veilen hoeveelheid.
In dergelijke gevallen blijft de installatie in de Gemeenschapsregeling voor de rest van de handelsperiode.
4. Voor installaties die gedurende de periode van 2008 tot en met 2012 niet in de Gemeenschapsregeling waren opgenomen, kunnen vereenvoudigde vereisten inzake bewaking, rapportage en verificatie worden toegepast voor de vaststelling van de emissies gedurende de drie jaar voorafgaand aan de in lid 1, onder a), bedoelde melding.
Artikel 28
Aanpassingen die van toepassing worden na de goedkeuring door de Gemeenschap van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering
1. Binnen drie maanden na de ondertekening door de Gemeenschap van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering die leidt tot verplichte verminderingen van de broeikasgasemissies met meer dan 20 % in 2020 ten opzichte van 1990, zoals met de reductieverbintenis van 30 % door de Europese Raad van maart 2007 tot uiting is gebracht, dient de Commissie een verslag in waarin zij met name de volgende punten evalueert:
a) de aard van de maatregelen die bij de internationale onderhandelingen overeen zijn gekomen, alsmede de verbintenissen die andere ontwikkelde landen zijn aangegaan tot een met de Gemeenschap vergelijkbare emissiereductie, en de verbintenissen die economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden zijn aangegaan om overeenkomstig hun verantwoordelijkheid en respectieve mogelijkheden een adequate bijdrage te leveren;
b) de consequenties van de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering en in het verlengde daarvan de op Gemeenschapsvlak vereiste opties om op evenwichtige, transparante en billijke wijze over te gaan tot de reductiedoelstelling van 30 %, rekening houdend met het werk tijdens de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto;
c) de concurrentiepositie van de be- en verwerkende industrieën in de Gemeenschap en in dat verband het gevaar van een weglekeffect;
d) het effect van de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering op andere economische sectoren in de Gemeenschap;
e) het effect op de landbouwsector in de Gemeenschap, met inbegrip van het gevaar van een weglekeffect;
f) een passende regeling voor het opnemen van emissies en verwijdering van broeikasgassen in verband met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in de Gemeenschap;
g) bebossing, herbebossing, vermeden ontbossing en bosdegradatie in derde landen voor het geval hiervoor een internationaal erkend systeem tot stand komt;
h) de behoefte aan bijkomende communautaire beleidsmaatregelen met het oog op de broeikasgasreductieverbintenis van de Gemeenschap.
2. Uitgaande van het in lid 1 bedoelde verslag dient de Commissie zo nodig bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in tot wijziging van deze richtlijn met het oog op de inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn bij de goedkeuring van de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering door de Gemeenschap en met het oog op de verbintenis tot emissiereductie die ingevolge die overeenkomst gerealiseerd moet worden.
Dit voorstel berust op de beginselen van transparantie, economische efficiëntie en kosteneffectiviteit alsmede op een eerlijke en solidaire verdeling van de inspanningen tussen de lidstaten.
3. Dat voorstel maakt het eventueel mogelijk dat de lidstaten naast de kredieten waarin deze richtlijn voorziet, gebruikmaken van CER’s, ERU’s of andere goedgekeurde kredieten van derde landen die de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering hebben geratificeerd.
4. Het voorstel omvat tevens eventuele andere maatregelen die nodig zijn om de verplichte verminderingen, als bedoeld in lid 1, op een transparante, evenwichtige en billijke wijze te helpen realiseren, en omvat met name uitvoeringsmaatregelen inzake het gebruik van bijkomende soorten projectkredieten door de exploitanten naast de in artikel 11 bis, leden 2 tot en met 5, bedoelde types in de Gemeenschapsregeling te regelen of het gebruik door deze exploitanten van andere op grond van de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering ingestelde mechanismen.
5. Het voorstel bevat passende overgangsmaatregelen en opschortende maatregelen in afwachting van de inwerkingtreding van de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering.
Artikel 29
Verslag met het oog op een betere werking van de koolstofmarkt
Indien het de Commissie op grond van de geregelde verslagen over de koolstofmarkt als bedoeld in artikel 10, lid 6), blijkt dat de koolstofmarkt niet naar behoren werkt, legt zij een verslag voor aan het Europees Parlement en aan de Raad. Dit verslag kan zo nodig vergezeld gaan van voorstellen met het oog op een transparantere koolstofmarkt en maatregelen voor de verbetering ervan.”.
29) Het volgende artikel wordt ingevoegd:
„Artikel 29 bis
Maatregelen in geval van buitensporige prijsschommelingen
1. Indien de emissierechtenprijs gedurende meer dan zes achtereenvolgende maanden meer dan driemaal de gemiddelde prijs van emissierechten gedurende de twee voorgaande jaren op de Europese koolstofmarkt bedraagt, roept de Commissie onverwijld het bij artikel 9 van Beschikking nr. 280/2004/EG ingestelde comité bijeen.
2. Indien de in lid 1 bedoelde prijsontwikkeling niet correspondeert met veranderende fundamentele marktfactoren, kan een van de volgende maatregelen worden genomen, rekening houdend met de mate waarin de prijzen fluctueren:
a) een maatregel waarbij de lidstaten wordt toegestaan een deel van de te veilen hoeveelheid vervroegd te veilen;
b) een maatregel waarbij de lidstaten wordt toegestaan om tot 25 % van de overblijvende emissierechten in de nieuwkomersreserve te veilen.
Deze maatregelen worden vastgesteld volgens de beheersprocedure als bedoeld in artikel 23, lid 4.
3. Bij alle maatregelen wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de verslagen die de Commissie overeenkomstig artikel 29 aan het Europees Parlement en aan de Raad voorlegt, alsook met alle andere relevante informatie die door de lidstaten wordt verstrekt.
4. De voorschriften voor de toepassing van deze bepalingen worden neergelegd in de in artikel 10, lid 4, bedoelde verordening.”.
30) Bijlage I wordt vervangen door de tekst van bijlage I bij deze richtlijn.
31) De bijlagen II bis en II ter worden toegevoegd als vastgesteld in bijlage II bij deze richtlijn.
32) Bijlage III wordt geschrapt.