Art. 4 Richtlijn 2009/28/EG, Nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen
1. Elke lidstaat stelt een nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen vast. In de nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen moeten de nationale algemene streefcijfers van de lidstaten voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen verbruikt in vervoer, elektriciteit en verwarming en koeling in 2020 zijn vermeld, rekening houdend met het effect van andere beleidsmaatregelen inzake energie-efficiëntie bij het eindverbruik van energie, en moeten passende maatregelen zijn opgenomen om deze nationale algemene streefcijfers te halen, inclusief samenwerking tussen lokale, regionale en nationale autoriteiten, beoogde statistische overdrachten of gezamenlijke projecten, nationale beleidsmaatregelen om de bestaande bronnen van biomassa te ontwikkelen en nieuwe bronnen van biomassa gebruiksklaar te maken voor verschillende toepassingen, en moet worden vermeld welke maatregelen moeten worden genomen om aan de eisen van de artikelen 13 tot en met 19 te voldoen.
De Commissie stelt uiterlijk op 30 juni 2009 een model voor de nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen vast. Dit model omvat de minimumvereisten bepaald in bijlage VI. De lidstaten nemen dit model in acht bij de presentatie van hun nationale actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen.
2. De lidstaten moeten uiterlijk op 30 juni 2010 hun nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen aanmelden bij de Commissie.
3. Iedere lidstaat maakt zes maanden voordat hij zijn nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen moet indienen, een ramingsdocument bekend en deelt deze mee aan de Commissie, met:
a) zijn geraamde overtollige productie van energie uit hernieuwbare bronnen in vergelijking met de indicatieve keten, die zou kunnen worden overgedragen aan andere lidstaten overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11, alsmede zijn geraamde potentieel voor gezamenlijke projecten, tot 2020; en
b) zijn geraamde vraag naar energie uit hernieuwbare bronnen waaraan tot 2020 moet worden voldaan met andere middelen dan binnenlandse productie.
Deze informatie kan gegevens over kosten en baten en financiering omvatten. Die raming wordt in de in artikel 22, lid 1, letters l) en m), bedoelde verslagen van de lidstaten geactualiseerd.
4. Als het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen van een lidstaat in de onmiddellijk voorafgaande periode van twee jaar zoals vermeld in bijlage I, deel B, lager is dan de indicatieve keten, dient die lidstaat uiterlijk op 30 juni van het jaar daarop een gewijzigd nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen in bij de Commissie, waarin adequate en evenwichtige maatregelen zijn opgenomen om binnen een redelijke termijn aansluiting te vinden bij de indicatieve keten van bijlage I, deel B.
Indien een lidstaat met een kleine marge niet voldoet aan de indicatieve keten, kan de Commissie rekening houdend met bestaande en nieuwe maatregelen van de lidstaat, besluiten de lidstaat te ontheffen van de verplichting een gewijzigd nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen voor te leggen.
5. De Commissie evalueert de nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen, en beziet met name of de maatregelen die de lidstaten overeenkomstig artikel 3, lid 2, beogen, toereikend zijn. De Commissie kan naar aanleiding van een nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen of een wijziging daarvan aanbevelingen doen.
6. De Commissie doet het Europees Parlement de nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen en de ramingsdocumenten toekomen in de vorm die is openbaar gemaakt op het transparantieplatform bedoeld in artikel 24, lid 2, alsook aanbevelingen bedoeld in lid 5 van dit artikel.