Art. 11, Elektronische methoden om de identiteit te controleren
1. De instantie van afgifte zorgt ervoor dat paardachtigen bij eerste identificatie actief worden gemerkt door implantatie van een transponder.
De lidstaten bepalen welke minimumkwalificaties vereist zijn voor de in de eerste alinea bedoelde ingreep, of wijzen een persoon of beroepsgroep aan waaraan het uitvoeren van dergelijke ingrepen kan worden toevertrouwd.
2. De transponder wordt parenteraal onder aseptische omstandigheden geïmplanteerd tussen nek en schoft in het midden van de hals, waar zich het ligamentum nuchae bevindt.
De bevoegde autoriteit kan evenwel toestaan de transponder op een andere plek in de nek van de paardachtige te implanteren, mits deze alternatieve implantatie het welzijn van het dier niet schaadt en er geen verhoogd risico is op verplaatsing van de transponder in vergelijking met de in de eerste alinea bedoelde methode.
3. Nadat de transponder overeenkomstig de leden 1 en 2 is geïmplanteerd, noteert de instantie van afgifte de volgende gegevens in het identificatiedocument:
a) in sectie I, deel A, punt 5, minimaal de laatste 15 tekens van de code die na implantatie door de transponder wordt uitgezonden en door het uitleesapparaat wordt weergegeven tezamen met, indien nodig, een zelfklevende sticker met een barcode of een afdruk van deze barcode die minimaal bestaat uit de laatste 15 tekens van de door de transponder uitgezonden code;
b) in sectie I, deel A, punt 11, de handtekening en het stempel van de in lid 1 bedoelde persoon die de identificatie en de implantatie van de transponder heeft uitgevoerd;
c) in punt 12 of 13 van de ingetekende schets in sectie I, deel B, afhankelijk van de zijde waaraan de transponder is geïmplanteerd, de plek waar de transponder in de paardachtige werd ingebracht.
4. Ingeval de in artikel 26, lid 2, genoemde maatregelen worden toegepast op een paardachtige waarbij in het verleden een transponder is geïmplanteerd die niet voldoet aan de normen van artikel 2, lid 2, onder b), wordt in afwijking van lid 3, onder a), van dit artikel in sectie I, deel A, punt 5, van het identificatiedocument de naam van de fabrikant of van het uitleessysteem ingevuld.
5. Indien een lidstaat voorschriften vaststelt om, overeenkomstig de in artikel 2, lid 2, onder b), bedoelde normen, de uniciteit te waarborgen van de codes van de transponders die zijn geïmplanteerd door de in artikel 4, lid 1, onder a), bedoelde instanties van afgifte die overeenkomstig Beschikking 92/353/EEG door de bevoegde autoriteit van die lidstaat zijn erkend, worden die voorschriften toegepast zonder afbreuk te doen aan het identificatiesysteem dat is vastgelegd door de instantie van afgifte van een andere lidstaat die of een derde land dat de identificatie overeenkomstig deze verordening heeft uitgevoerd op verzoek van de houder, of, indien dit specifiek vereist is door de wetgeving van de lidstaat waar het dier geboren is, de eigenaar.