Art. 92 Verordening (EG) nr. 479/2008, Herbeplantingsrechten
1. De lidstaten kennen herbeplantingsrechten toe aan producenten die een met wijnstokken beplante oppervlakte hebben gerooid.
Voor gerooide oppervlakten waarvoor overeenkomstig hoofdstuk III een rooipremie is toegekend, worden evenwel geen herbeplantingsrechten toegekend.
2. De lidstaten kennen herbeplantingsrechten toe aan producenten die zich ertoe verbinden een met wijnstokken beplante oppervlakte te rooien. In dergelijke gevallen wordt de oppervlakte waarvoor de verbintenis is aangegaan, gerooid binnen drie jaar na het jaar waarin de nieuwe wijnstokken waarvoor de herbeplantingsrechten zijn toegekend, zijn aangeplant.
3. De oppervlakte waarvoor herbeplantingsrechten worden toegekend moet, uitgedrukt in uitsluitend met wijnstokken beplante cultuurgrond, overeenkomen met de gerooide oppervlakte.
4. De herbeplantingsrechten moeten worden gebruikt op het bedrijf waaraan zij zijn toegekend. De lidstaten mogen voorts bepalen dat dergelijke herbeplantingsrechten slechts mogen worden gebruikt op de gerooide oppervlakte.
5. In afwijking van lid 4 kunnen de lidstaten bepalen dat herbeplantingsrechten in de volgende gevallen geheel of gedeeltelijk aan een ander bedrijf in dezelfde lidstaat mogen worden overgedragen:
a) wanneer een deel van het betrokken bedrijf aan dat andere bedrijf wordt overgedragen;
b) wanneer oppervlakten van dat andere bedrijf zijn bestemd voor:
i) de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding, of
ii) het kweken van entstokken.
De lidstaten zorgen ervoor dat de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde afwijkingen niet leidt tot een algemene stijging van het productiepotentieel op hun grondgebied, met name wanneer overdrachten gebeuren van niet-bevloeide naar bevloeide oppervlakten.
6. Het bepaalde in de leden 1 tot en met 5 is van overeenkomstige toepassing op rechten die vergelijkbaar zijn met herbeplantingsrechten en op grond van eerdere communautaire of nationale wetgeving zijn verworven.
7. Herbeplantingsrechten die zijn toegekend op grond van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1493/1999, worden gebruikt binnen de daarin vastgestelde termijnen.