Art. 24 Verordening (EG) nr. 479/2008, Indeling van wijndruivenrassen
1. De lidstaten stellen in een indeling vast welke wijndruivenrassen op hun grondgebied mogen worden aangeplant, heraangeplant of geënt met het oog op de bereiding van wijn, met inachtneming van lid 2.
Uitsluitend wijndruivenrassen die voldoen aan de onderstaande voorwaarden mogen in de indeling van de lidstaten worden opgenomen:
a) het betrokken ras behoort tot de soort Vitis vinifera of is verkregen uit een kruising van deze soort met andere soorten van het geslacht Vitis;
b) het ras is niet een van de volgende rassen: Noah, Othello, Isabelle, Jacquez, Clinton of Herbemont.
Wanneer een wijndruivenras uit de in de eerste alinea bedoelde indeling wordt geschrapt, moeten de wijnstokken van dit ras binnen vijftien jaar na die verwijdering worden gerooid.
2. Lidstaten met een wijnproductie van niet meer dan 50 000 hectoliter per wijnoogstjaar, berekend op basis van de gemiddelde productie gedurende de laatste vijf wijnoogstjaren, worden vrijgesteld van de in lid 1 bedoelde verplichting tot indeling.
In de lidstaten als bedoeld in de eerste alinea mogen met het oog op de wijnbereiding evenwel ook uitsluitend wijndruivenrassen worden aangeplant, heraangeplant of geënt die voldoen aan lid 1, onder a) en b).
3. In afwijking van lid 1, eerste en tweede alinea, en lid 2, tweede alinea, is het aanplanten, heraanplanten of enten van de volgende wijndruivenrassen toegestaan in het kader van wetenschappelijk onderzoek en experimenten:
a) wijndruivenrassen die niet zijn ingedeeld wat betreft de in lid 1 bedoelde lidstaten;
b) wijndruivenrassen die niet voldoen aan lid 1, onder a) en b), wat betreft de in lid 2 bedoelde lidstaten.
4. Oppervlakten die in strijd met de leden 1 tot en met 3 beplant zijn met wijndruivenrassen met het oog op de wijnbereiding, worden gerooid.
De verplichting tot rooien van dergelijke oppervlakten vervalt evenwel wanneer de betrokken productie uitsluitend bestemd is om door de wijnbouwer en zijn gezin te worden geconsumeerd.
5. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de naleving van het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 door de producent te controleren.