Art. 4 Verordening (EG) nr. 450/2008, Definities
In dit wetboek wordt verstaan onder:
1. „douaneautoriteiten”: de douanediensten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de toepassing van de douanewetgeving, en alle overige autoriteiten die krachtens het nationale recht belast zijn met de toepassing van bepaalde onderdelen van de douanewetgeving;
2. „douanewetgeving”: het geheel van wetgeving omvattende:
a) het wetboek alsmede de op communautair niveau en in voorkomend geval op nationaal niveau vastgestelde bepalingen ter uitvoering daarvan,
b) het gemeenschappelijk douanetarief,
c) de wetgeving betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen,
d) internationale overeenkomsten houdende douanevoorschriften, voor zover deze van toepassing zijn in de Gemeenschap;
3. „douanecontroles”: door de douaneautoriteiten verrichte specifieke handelingen voor de correcte toepassing van de douanewetgeving en andere wetgeving betreffende het binnenbrengen, het uitgaan, de doorvoer, het overbrengen, de opslag en de bijzondere bestemming van goederen die tussen het douanegebied van de Gemeenschap en andere gebieden worden vervoerd, en betreffende de aanwezigheid en het verkeer binnen het douanegebied van niet-communautaire goederen en goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst;
4. „persoon”: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar krachtens het Gemeenschapsrecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend;
5. „marktdeelnemer”: de persoon die zich in het kader van zijn bedrijfsvoering bezighoudt met activiteiten die onder de douanewetgeving vallen;
6. „douanevertegenwoordiger”: iedere persoon die door een andere persoon is aangewezen voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten;
7. „risico”: de waarschijnlijkheid dat zich, in relatie tot het binnenbrengen, het uitgaan, de doorvoer, het overbrengen of de bijzondere bestemming van goederen die tussen het douanegebied van de Gemeenschap en landen of gebieden buiten dat gebied worden vervoerd, en in verband met de aanwezigheid van goederen die niet de status van communautaire goederen hebben, een gebeurtenis voordoet die:
a) de correcte toepassing van communautaire of nationale maatregelen in de weg staat,
b) de financiële belangen van de Gemeenschap en haar lidstaten schaadt,
c) een gevaar vormt voor de veiligheid en de beveiliging van de Gemeenschap en haar ingezetenen, de gezondheid van mens, dier of plant, het milieu of de consument;
8. „douaneformaliteiten”: alle handelingen die door de betrokkenen en de douaneautoriteiten moeten worden verricht om aan de douanewetgeving te voldoen;
9. „summiere aangifte” (summiere aangifte bij binnenbrengen en summiere aangifte bij uitgaan): de handeling waarbij een persoon vooraf of op het ogenblik zelf de douaneautoriteiten in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze meedeelt dat goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten;
10. „douaneaangifte”: de handeling waarbij een persoon in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt om goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen, in voorkomend geval met opgave van eventuele specifieke procedures die moeten worden toegepast;
11. „aangever”: de persoon die in eigen naam een summiere aangifte indient of een mededeling van wederuitvoer of een douaneaangifte doet of de persoon namens wie deze aangifte wordt gedaan;
12. „douaneregeling”: een van de onderstaande regelingen waaronder goederen overeenkomstig dit wetboek kunnen worden geplaatst:
a) in het vrije verkeer brengen,
b) bijzondere regelingen,
c) uitvoer;
13. „douaneschuld”: de verplichting van een persoon tot betaling van het bedrag aan in- of uitvoerrechten dat uit hoofde van de geldende douanewetgeving verschuldigd is;
14. „schuldenaar”: elke persoon die een douaneschuld verschuldigd is;
15. „invoerrechten”: de douanerechten die bij de invoer van goederen verschuldigd zijn;
16. „uitvoerrechten”: de douanerechten die bij de uitvoer van goederen verschuldigd zijn;
17. „douanestatus”: de status van goederen, zijnde hetzij communautair, hetzij niet-communautair;
18. „communautaire goederen”: goederen behorende tot een van de volgende categorieën:
a) goederen die geheel zijn verkregen in het douanegebied van de Gemeenschap zonder toevoeging van goederen die zijn ingevoerd uit landen of gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap. Goederen die geheel zijn verkregen in het douanegebied van de Gemeenschap hebben niet de douanestatus van communautaire goederen indien zij zijn verkregen uit goederen die onder de regeling extern douanevervoer, de regeling opslag, de regeling tijdelijke invoer of de regeling actieve veredeling zijn geplaatst overeenkomstig de in artikel 101, lid 2, onder c), vastgestelde gevallen;
b) goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht uit landen of gebieden buiten dat gebied en die in het vrije verkeer zijn gebracht;
c) goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn verkregen of vervaardigd, hetzij uitsluitend uit goederen als bedoeld onder b), hetzij uit goederen als bedoeld onder a) en b);
19. „niet-communautaire goederen”: andere dan de in punt 18 bedoelde goederen of goederen die de douanestatus van communautaire goederen hebben verloren;
20. „risicobeheer”: het systematisch in kaart brengen van risico’s en het toepassen van alle maatregelen die vereist zijn om de blootstelling aan risico’s te beperken. Dit omvat activiteiten zoals het verzamelen van gegevens en informatie, het analyseren en beoordelen van risico’s, het voorschrijven en ondernemen van actie, en het regelmatig toezien op en herzien van dat proces en de procesresultaten, op basis van internationale, communautaire en nationale bronnen en strategieën;
21. „vrijgave van goederen”: terbeschikkingstelling door de douaneautoriteiten van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst;
22. „douanetoezicht”: de activiteiten die door de douaneautoriteiten in het algemeen worden ontplooid teneinde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn;
23. „terugbetaling”: de teruggave van invoer- of uitvoerrechten die zijn voldaan;
24. „kwijtschelding”: ontheffing van de verplichting tot betaling van niet voldane invoer- of uitvoerrechten;
25. „veredelingsproducten”: onder een veredelingsregeling geplaatste goederen die veredeld zijn;
26. „in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigd persoon”:
a) indien het een natuurlijk persoon betreft, eenieder die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn normale verblijfplaats heeft,
b) indien het een rechtspersoon of een vereniging van personen betreft, elke persoon die zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of een vaste inrichting heeft in het douanegebied van de Gemeenschap;
27. „aanbrengen bij de douane”: mededeling aan de douaneautoriteiten dat de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats zijn aangekomen en beschikbaar zijn voor douanecontrole;
28. „houder van de goederen”: de persoon die de eigenaar is van de goederen, een soortgelijk recht heeft om erover te beschikken, of er fysieke controle over uitoefent;
29. „houder van de regeling”: de persoon die de douaneaangifte doet, of voor wiens rekening de aangifte wordt gedaan, of de persoon aan wie de uit een douaneregeling voortvloeiende rechten en plichten van eerstgenoemde persoon zijn overgedragen;
30. „handelspolitieke maatregelen”: de niet-tarifaire maatregelen die in het kader van het gemeenschappelijk handelsbeleid zijn vastgesteld in de vorm van communautaire voorschriften inzake de internationale handel in goederen;
31. „veredeling”: een van de onderstaande handelingen:
a) de bewerking van goederen, met inbegrip van het monteren, het assembleren en het aanpassen ervan aan andere goederen,
b) de verwerking van goederen,
c) de vernietiging van goederen,
d) de herstelling van goederen, met inbegrip van revisie en afstelling,
e) het gebruik van goederen die zelf niet meer in de veredelingsproducten voorkomen, maar die de vervaardiging van deze producten mogelijk maken of vergemakkelijken, ook indien zij tijdens dit proces geheel of gedeeltelijk verdwijnen (bij de productie gebruikte hulpmiddelen);
32. „opbrengst”: de hoeveelheid of het percentage veredelingsproducten verkregen bij de veredeling van een bepaalde hoeveelheid onder een veredelingsregeling geplaatste goederen;
33. „bericht”: een mededeling in een voorgeschreven vorm die gegevens bevat die door een persoon, dienst of autoriteit aan een andere worden toegezonden door middel van informatietechnologie en computernetwerken.