Art. 136 Verordening (EG) nr. 450/2008, Vergunning
1. Een vergunning van de douaneautoriteiten is vereist voor:
— het gebruik van de regeling actieve of passieve veredeling, tijdelijke invoer of bijzondere bestemming;
— het beheer van een opslagruimte voor tijdelijke opslag of opslag in een douane-entrepot, tenzij de opslagruimte wordt beheerd door de douaneautoriteit zelf.
De voorwaarden waarop één of meer van de bovengenoemde regelingen mogen worden gebruikt of het beheer van een opslagruimte is toegestaan, worden in de vergunning vastgesteld.
2. Maatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door haar aan te vullen, die met name regels met betrekking tot:
a) de in lid 1 bedoelde verlening van een vergunning;
b) de gevallen waarin de vergunning dient te worden geëvalueerd;
c) de voorwaarden waarop de vergunning wordt verleend;
d) de vaststelling van de douaneautoriteit die bevoegd is voor het verlenen van deze vergunning;
e) het overleg met en de informatieverstrekking aan andere douaneautoriteiten, waar nodig;
f) de omstandigheden waarin de vergunning kan worden geschorst of ingetrokken;
g) de specifieke taak en verantwoordelijkheden van de betrokken bevoegde douanekantoren, in het bijzonder met betrekking tot de uit te voeren controles;
h) de vorm waarin de formaliteiten moeten worden vervuld en de eventuele termijn daarvoor;
vastleggen, worden vastgesteld volgens de in artikel 184, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
In die maatregelen wordt rekening gehouden met:
a) ten aanzien van punt c) van de eerste alinea, wanneer er meer dan één lidstaat bij is betrokken, het voldoen door de aanvrager aan de criteria in artikel 14 voor het toekennen van de status van geautoriseerd marktdeelnemer;
b) met betrekking tot punt d) van de eerste alinea, de plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar ze toegankelijk is, teneinde de op een audit gebaseerde controle te vergemakkelijken, en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de vergunning moeten vallen, zal worden uitgevoerd.
3. Tenzij anders is bepaald in de douanewetgeving, wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend aan:
a) personen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gevestigd;
b) personen die de nodige waarborgen bieden voor het goede gebruik van de regeling en die, indien een douaneschuld kan ontstaan of andere heffingen verschuldigd kunnen worden voor de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen, zekerheid stellen overeenkomstig artikel 56;
c) voor de regeling tijdelijke invoer of actieve veredeling, de persoon die de goederen gebruikt of laat gebruiken respectievelijk de goederen veredeld of laat veredelen.
Maatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door haar aan te vullen, die afwijkingen op de eerste alinea van dit lid vastleggen, worden vastgesteld volgens de in artikel 184, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
4. Tenzij anders bepaald en ter aanvulling van lid 3 wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de douaneautoriteiten kunnen douanetoezicht uitoefenen zonder administratieve maatregelen te hoeven nemen die niet in verhouding staan tot de economische behoeften;
b) de wezenlijke belangen van communautaire producenten worden niet geschaad door een vergunning voor de regeling veredeling (economische voorwaarden).
De wezenlijke belangen van communautaire producenten worden geacht niet te zijn geschaad als bedoeld in de eerste alinea, onder b), totdat het tegendeel is bewezen, of wanneer in de douanewetgeving is bepaald dat aan de economische voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan.
Indien wordt aangetoond dat de wezenlijke belangen van communautaire producenten waarschijnlijk zullen worden geschaad, wordt een toets op de economische voorwaarden verricht overeenkomstig artikel 185.
De Commissie neemt volgens de in artikel 184, lid 2, bedoelde procedure maatregelen met betrekking tot:
a) de toets op de economische voorwaarden;
b) de vaststelling van de gevallen waarin de wezenlijke belangen van communautaire producenten waarschijnlijk zullen worden geschaad, rekening houdend met handelspolitieke en landbouwmaatregelen;
c) de vaststelling van de gevallen waarin aan de economische voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan.
5. De houder van de vergunning dient de douaneautoriteiten mededeling te doen van elk feit dat zich na afgifte van de vergunning voordoet en dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud van de vergunning.