Art. 7 Verordening (EG) nr. 376/2008
1. Het invoer-, respectievelijk het uitvoercertificaat, brengt het recht en de verplichting mede om op grond van het certificaat de daarin vermelde hoeveelheid van het betrokken product en/of goed in-, respectievelijk uit te voeren, zulks — behoudens overmacht — tijdens de geldigheidsduur van het certificaat.
De in dit lid bedoelde verplichtingen zijn primaire eisen in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie (22).
2. Het uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie verplicht ertoe om op grond van het certificaat de daarin vermelde hoeveelheid van de betrokken producten uit te voeren, zulks — behoudens overmacht — tijdens de geldigheidsduur van het certificaat.
Indien voor de uitvoer van de producten een uitvoercertificaat moet worden overgelegd, bepaalt het uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van restitutie het recht uit te voeren en het recht op de restitutie.
Indien voor de uitvoer van de producten geen uitvoercertificaat hoeft te worden overgelegd, bepaalt het uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie alleen het recht op de restitutie.
De in dit lid bedoelde verplichtingen zijn primaire eisen in de zin van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2220/85.
3. De certificaten verplichten tot invoer uit het land of de groep landen, vermeld in het certificaat, respectievelijk tot uitvoer naar het land of de groep landen, vermeld in het certificaat, in de gevallen bedoeld in artikel 47 en in de gevallen waarin de communautaire regeling die specifiek voor de betrokken productensector geldt, deze verplichting behelst.
4. Indien de in- of de uitgevoerde hoeveelheid ten hoogste 5 % groter is dan de in het certificaat vermelde hoeveelheid, wordt zij beschouwd als op grond van dat certificaat te zijn ingevoerd, respectievelijk te zijn uitgevoerd.
5. Indien de in- of de uitgevoerde hoeveelheid ten hoogste 5 % kleiner is dan de in het certificaat vermelde hoeveelheid, wordt de verplichting tot invoer, respectievelijk tot uitvoer, als te zijn nagekomen beschouwd.
6. Voor de toepassing van de leden 4 en 5 wordt, wanneer het certificaat per dier is afgegeven, de uitkomst van de berekening van het in die bepalingen bedoelde percentage van 5 % in voorkomend geval afgerond op het naaste hogere gehele getal aan dieren.
7. Indien overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 1182/71 een certificaat met vaststelling vooraf van de uitvoerheffing of van de uitvoerrestitutie op de eerste werkdag volgende op de laatste dag van de normale geldigheidsduur van dat certificaat wordt gebruikt, wordt dat certificaat, wat de vooraf vastgestelde bedragen betreft, geacht op de laatste dag van de normale geldigheidsduur ervan te zijn gebruikt.