Art. 13 Verordening (EG) nr. 300/2008, Beveiligingsprogramma van de luchtvaartmaatschappij
1. Elke luchtvaartmaatschappij moet een beveiligingsprogramma van de luchtvaartmaatschappij opstellen, toepassen en instandhouden.
In dat programma wordt beschreven welke methoden en procedures de luchtvaartmaatschappij dient te volgen om te voldoen aan deze verordening en aan het nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart dat is opgesteld door de lidstaat van waaruit hij diensten verleent.
Het programma omvat bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole waarin wordt beschreven hoe de luchtvaartmaatschappij toezicht dient te houden op de naleving van deze methoden en procedures.
2. Op verzoek wordt het beveiligingsprogramma van de luchtvaartmaatschappij voorgelegd aan de bevoegde autoriteit, die indien nodig verdere maatregelen kan nemen.
3. Wanneer een beveiligingsprogramma van een communautaire luchtvaartmaatschappij is gevalideerd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de exploitatievergunning heeft verleend, wordt de luchtvaartmaatschappij door alle andere lidstaten erkend als een maatschappij die voldoet aan de eisen van lid 1. Dit doet geen afbreuk aan het recht van een lidstaat om van een luchtvaartmaatschappij nadere bijzonderheden te verlangen inzake de uitvoering door die maatschappij van:
a) de beveiligingsmaatregelen die deze lidstaat uit hoofde van artikel 6 voorschrijft, en/of
b) plaatselijke procedures die van toepassing zijn op de luchthavens waarop zij vliegt.