Art. 139 Verordening (EG) nr. 1580/2007, Als basis te nemen invoerprijs

Verordening (EG) nr. 1580/2007

1. De invoerprijs op basis waarvan de voor de in bijlage XV, deel A, vermelde producten in het douanetarief van de Europese Gemeenschap worden ingedeeld, moet, naar keuze van de importeur, gelijk zijn aan:

a) de fob-prijs van de producten in het land van oorsprong, vermeerderd met de kosten van verzekering en vervoer tot aan de grens van het douanegebied van de Gemeenschap, wanneer deze prijs en deze kosten bekend zijn op het ogenblik waarop voor deze producten de aangifte voor het vrije verkeer wordt ingediend. Indien de bovenbedoelde prijzen van de betrokken producten meer dan 8 % hoger zijn dan de forfaitaire invoerwaarde die bij de indiening van de aangifte voor het vrije verkeer voor die producten geldt, moet de importeur de in artikel 248, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde zekerheid stellen. Het uiteindelijk op de goederen toe te passen recht is hiertoe gelijk aan het bedrag van de rechten dat de importeur zou hebben betaald wanneer de producten op basis van de forfaitaire invoerwaarde waren ingedeeld; of

b) de overeenkomstig artikel 30, lid 2, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 berekende douanewaarde, uitsluitend toegepast op de betrokken ingevoerde producten. In dat geval worden de rechten in mindering gebracht overeenkomstig artikel 138, lid 1. De importeur moet dan de in artikel 248, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde zekerheid stellen, die gelijk is aan het bedrag aan rechten dat hij zou hebben betaald indien de producten waren ingedeeld op basis van de voor de betrokken partij geldende forfaitaire invoerwaarde; of

c) de overeenkomstig artikel 138 van deze verordening berekende forfaitaire invoerwaarde.

2. De invoerprijs op basis waarvan de in bijlage XV, deel B, vermelde producten in het douanetarief van de Europese Gemeenschap worden ingedeeld, moet, naar keuze van de importeur, gelijk zijn aan:

a) de fob-prijs van de producten in het land van oorsprong, vermeerderd met de kosten van verzekering en vervoer tot aan de grens van het douanegebied van de Gemeenschap, wanneer deze prijs en deze kosten bekend zijn op het ogenblik waarop de douaneaangifte wordt gedaan. Indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat een zekerheid moet worden gesteld op grond van artikel 248 van Verordening (EEG) nr. 2454/93, moet de importeur een zekerheid stellen die gelijk is aan het maximumbedrag van de rechten die voor het betrokken product gelden; of

b) de overeenkomstig artikel 30, lid 2, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 berekende douanewaarde, uitsluitend toegepast op de betrokken ingevoerde producten. In dat geval worden de rechten in mindering gebracht overeenkomstig artikel 138, lid 1. De importeur moet dan de in artikel 248 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 bedoelde zekerheid stellen, die gelijk is aan het maximumbedrag van de rechten die voor het betrokken product gelden.

3. Wanneer de invoerprijs wordt berekend op basis van de fob-prijs van de producten in het land van oorsprong, wordt voor de vaststelling van de douanewaarde de verkoop in aanmerking genomen waarop deze prijs betrekking heeft.

Wanneer de invoerprijs wordt berekend volgens een van de in lid 1, onder b) of c), of lid 2, onder b), vermelde procedures, wordt de douanewaarde berekend op dezelfde basis als de invoerprijs.

4. Binnen een maand na de datum waarop de betrokken producten zijn verkocht en uiterlijk vier maanden na de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer is aanvaard, moet de importeur bewijzen dat de partij is geleverd tegen condities die de juistheid van de in lid 1, onder a), tweede alinea, of lid 2, onder a), bedoelde prijzen bevestigen, of moet hij de in lid 1, onder b), of lid 2, onder a), bedoelde douanewaarde bepalen. Onverminderd lid 5 wordt bij niet-inachtneming van een van bovengenoemde termijnen de zekerheid verbeurd.

De zekerheid wordt vrijgegeven voor zover de bewijzen met betrekking tot de leveringscondities ten genoegen van de douaneautoriteiten zijn geleverd.

Is dat niet het geval, dan wordt de zekerheid verbeurd bij wijze van betaling van de invoerrechten.

5. Op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de importeur kan de in lid 4 bedoelde termijn van vier maanden door de bevoegde autoriteiten met ten hoogste drie maanden worden verlengd.

6. Indien de bevoegde autoriteiten bij verificatie constateren dat niet aan de eisen van dit artikel is voldaan, innen zij het verschuldigde recht overeenkomstig artikel 220 van Verordening (EEG) nr. 2913/92. In het te innen of het nog te innen bedrag aan rechten wordt voor de periode vanaf de datum waarop de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht tot en met de datum van de inning rente verrekend. Hiervoor wordt de nationaalrechtelijke rentevoet voor terugvorderingen toegepast.