Art. 153 Integrale-GMO-verordening, Traditionele voorzieningsbehoefte voor raffinage
Verordening (EG) nr. 1234/2007 (Integrale-GMO-verordening)
1. Onverminderd artikel 52, lid 1, bedraagt de traditionele voorzieningsbehoefte van de Gemeenschap aan suiker voor raffinage 2 424 735 ton, uitgedrukt in witte suiker, per verkoopseizoen.
Tijdens het verkoopseizoen 2008/2009 wordt de traditionele voorzieningsbehoefte aldus uitgesplitst:
a) 198 748 ton voor Bulgarije,
b) 296 627 ton voor Frankrijk,
c) 100 000 ton voor Italië,
d) 291 633 ton voor Portugal,
e) 329 636 ton voor Roemenië,
f) 19 585 ton voor Slovenië,
g) 59 925 ton voor Finland,
h) 1 128 581 ton voor het Verenigd Koninkrijk.
2. De in de eerste alinea van lid 1 bedoelde traditionele voorzieningsbehoefte wordt verhoogd met 65 000 ton. Deze hoeveelheid betreft ruwe rietsuiker en wordt voor het verkoopseizoen 2008/2009 uitsluitend gereserveerd voor de enige in 2005 actieve suikerbietenverwerkende fabriek in Portugal. Deze verwerkingsfabriek wordt geacht een voltijdraffinaderij te zijn.
3. Invoercertificaten voor suiker voor raffinage worden alleen aan voltijdraffinaderijen afgegeven, en wel op voorwaarde dat de betrokken hoeveelheden de hoeveelheden die in het kader van de in lid 1 bedoelde traditionele voorzieningsbehoefte mogen worden ingevoerd, niet overschrijden. De invoercertificaten mogen alleen tussen voltijdraffinaderijen worden overgedragen en de geldigheidsduur ervan verstrijkt aan het einde van het verkoopseizoen waarvoor zij zijn afgegeven.
Dit lid is van toepassing voor het verkoopseizoen 2008/2009 en voor de eerste drie maanden van elk verkoopseizoen dat op dat verkoopseizoen volgt.
4. De toepassing van de invoerrechten voor voor raffinage bestemde rietsuiker van GN-code 1701 11 10 van oorsprong uit de in bijlage XIX genoemde staten wordt geschorst voor de aanvullende hoeveelheid die nodig is om voor het verkoopseizoen 2008/2009 een toereikende voorziening van de voltijdraffinaderijen mogelijk te maken.
De aanvullende hoeveelheid wordt door de Commissie vastgesteld op basis van het saldo tussen de in lid 1 bedoelde traditionele voorzieningsbehoefte en de verwachte voorziening met suiker voor raffinage voor het betrokken verkoopseizoen. Dit saldo kan tijdens het verkoopseizoen door de Commissie worden herzien en kan worden gebaseerd op aan de hand van historische gegevens opgestelde forfaitaire ramingen van de voor consumptie bestemde hoeveelheden ruwe suiker.